ECLI:NL:CRVB:2011:BP5637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens woonplaats buiten gemeente
Appellant ontving bijstand van de gemeente Rotterdam vanaf 27 mei 2003, waarbij hij had opgegeven woonachtig te zijn bij zijn zuster in Rotterdam. Na een onderzoek naar aanleiding van een koppeling met het handelsregister bleek dat appellant als voorzitter van een stichting in Den Haag stond geregistreerd. Het College stelde vast dat appellant woonplaats had buiten Rotterdam en trok de bijstand met terugwerkende kracht in, met terugvordering van €46.185,58.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij weliswaar regelmatig in Den Haag verbleef, maar woonplaats had in Rotterdam. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van getuigen en politiegegevens, voldoende bewijs leverden dat appellant woonde in Den Haag. De Raad hechtte geen waarde aan de stelling van appellant dat hij bij zijn zuster woonde, mede omdat hij deze niet met objectieve gegevens onderbouwde.
Verder stelde de Raad vast dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij woonplaats buiten Rotterdam had. Hierdoor was de bijstand ten onrechte verleend en was het College bevoegd tot intrekking en terugvordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd vanwege woonplaats buiten de gemeente en schending van de inlichtingenplicht.