ECLI:NL:CRVB:2011:BP5628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van dagloonberekening bij nabetaling niet-vorderbaar loon in refertejaar
Appellant was taxichauffeur op oproepbasis en meldde zich ziek per 6 oktober 2008, waarna hij geen werkzaamheden meer verrichtte. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe op basis van een dagloon van €50,47, berekend over het refertejaar van 1 oktober 2007 tot 30 september 2008. Appellant stelde dat een nabetaling van €1.048,89 in juni 2009 onderdeel was van het loon over het refertejaar en vorderbaar maar niet inbaar was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij onvoldoende had aangetoond dat het loon vorderbaar maar niet inbaar was. In hoger beroep stelde appellant dat hij al tijdens het dienstverband had geprobeerd betaling van het hogere uurloon af te dwingen en dat het UWV het bedrag niet had betrokken bij de dagloonberekening vanwege een minnelijke regeling.
De Centrale Raad oordeelde dat het geschil draait om de vraag of recht op loon bestond dat niet alleen vorderbaar maar ook niet inbaar was. Uit de toelichting op het Besluit dagloonregels volgt dat dit alleen geldt als het loon nog niet inbaar is, bijvoorbeeld bij afwezigheid van de werkgever. Een dergelijke situatie was hier niet aannemelijk gemaakt. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat de nabetaling vorderbaar maar niet inbaar was, en verklaart het beroep ongegrond.