ECLI:NL:CRVB:2011:BP5562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor advocaatkosten bij WSNP-aanvraag
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor advocaatkosten van €290,52 in verband met een aanvraag voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Het College wees deze aanvraag af omdat niet was aangetoond dat het ging om noodzakelijke kosten uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de declaratie als nota moest worden gezien en dat bijzondere bijstand op basis van nota's tot een jaar oud verleend kan worden. De Raad oordeelde dat de declaratie inderdaad voortvloeit uit een overeenkomst met de advocaat en geen offerte is, waardoor de primaire afwijzingsgrond niet standhoudt.
Echter, de Raad vond dat er geen sprake was van bijzondere noodzakelijke kosten omdat appellante gebruik kon maken van kosteloze bemiddeling door de Kredietbank Limburg. Het inschakelen van een advocaat was een eigen keuze van appellante en niet objectief noodzakelijk. Daarom bleef de subsidiaire afwijzingsgrond overeind en werd de aangevallen uitspraak bevestigd.
De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep van €322 en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €107.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor advocaatkosten wordt bevestigd omdat er geen bijzondere noodzakelijke kosten zijn.