ECLI:NL:CRVB:2011:BP5053

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-575 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 Awbartikel 118a Zvw
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onvoldoende procesbelang bij compensatie eigen risico

Betrokkene diende op 31 januari 2009 een aanvraag in bij het CAK voor compensatie van het eigen risico over 2008, welke door het CAK op 18 februari 2009 werd afgewezen. Het bezwaar van betrokkene tegen deze afwijzing werd op 25 maart 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank Leeuwarden vernietigde het besluit van 25 maart 2009 wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Het CAK stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat het besluit zorgvuldig was voorbereid. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep zich richtte tegen de vernietiging van het besluit wegens schending van artikel 3:2 Awb Pro, maar niet tegen de bepaling dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Hierdoor had het CAK onvoldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

De Raad stelde vast dat het CAK met het hoger beroep geen resultaat kon bereiken dat voor hem feitelijk betekenis had en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd een griffierecht van €447 opgelegd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep van het CAK wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende procesbelang.

Uitspraak

10/575 ZVW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
Centraal Administratiekantoor B.V. (hierna: CAK)
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 januari 2010, 09/871 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
CAK
Datum uitspraak: 9 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
CAK heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 november 2010. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene heeft 31 januari 2009 bij CAK een aanvraag ingediend om compensatie van het eigen risico voor het jaar 2008, als bedoeld in artikel 118a van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
1.2. CAK heeft bij besluit van 18 februari 2009 de aanvraag van betrokkene afgewezen. CAK heeft daartoe overwogen dat betrokkene niet voldoet aan de ingevolge de Zvw geldende voorwaarden om de compensatie eigen risico te ontvangen.
1.3. Bij besluit van 25 maart 2009 heeft CAK het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 18 februari 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over het griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 25 maart 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigd besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft overwogen dat CAK het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig heeft voorbereid.
3. CAK heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Er is geen sprake van strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, omdat betrokkene ermee heeft volstaan in zijn bezwaarschrift te stellen dat hij medicijnen gebruikt en geen controleerbare gegevens heeft ingezonden waaruit blijkt dat hem in 2006 en 2007 meer dan 180 standaard dagdoseringen van een werkzame stof zijn afgeleverd. Onder die omstandigheden heeft CAK aan haar onderzoeks- en motiveringsplicht voldaan door Vektis nogmaals te vragen te controleren of betrokkene in 2006 en 2007 in een farmaceutische kostengroep (FKG) is ingedeeld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van CAK zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 van de Awb. De Raad stelt tevens vast dat de rechtbank op grond van een inhoudelijke beoordeling van het geschil heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 maart 2009 geheel in stand blijven.
4.2. De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of CAK voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.
Uit vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, LJN AY8271 en 9 juni 2009, LJN BJ0878, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.3. De Raad is van oordeel dat CAK onvoldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak nu de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde, tussen partijen bij de rechtbank in geschil zijnde, besluit geheel in stand blijven en het hoger beroep van CAK zich niet richt tegen die bepaling en de gronden waarop deze berust. CAK kan met zijn hoger beroep derhalve geen resultaat bereiken dat voor hem feitelijk betekenis kan hebben.
4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep van CAK niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5. De Raad ziet geen reden voor proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat van CAK een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) J. de Jong.
RB