ECLI:NL:CRVB:2011:BP4840

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2615 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaald ziekengeld zonder dringende medische redenen

Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld over de periode van januari tot juli 2007 door het UWV. Zij beriep zich op dringende medische redenen vanwege psychische klachten, zoals eerder ook in een WAO-procedure was vastgesteld.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de psychische klachten niet zodanig ernstig waren dat terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties zou hebben. De Raad bevestigt dit oordeel na bestudering van medische rapportages van bezwaarverzekeringsartsen die appellante hebben onderzocht.

De Raad benadrukt dat het verschil in medisch onderzoek tussen de WAO- en Ziektewetprocedure ertoe leidt dat het eerdere besluit om af te zien van terugvordering in de WAO-procedure niet automatisch geldt voor de Ziektewet. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel wordt verworpen.

De uitspraak bevestigt de terugvordering van € 8.501,76 bruto door het UWV, omdat geen dringende reden is aangetoond om hiervan af te zien. De procedure is zorgvuldig verlopen met inachtneming van hoor en wederhoor.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld wegens het ontbreken van dringende medische redenen.

Uitspraak

09/2615 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2009, 08/3168 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011.
Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. Ceelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 23 november 2007 heeft het Uwv het aan appellante onverschuldigd betaalde ziekengeld krachtens de Ziektewet (ZW) over de periode 2 januari 2007 tot 2 juli 2007 ten bedrage van € 8.501,76 bruto teruggevorderd. Bij besluit van 30 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was daarbij van oordeel dat er geen sprake was van een dringende reden om van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapportage van 26 juni 2008 van bezwaarverzekeringsarts
E.P.D. Siem-Yoe en de rapportage van 24 september 2008 van bezwaarverzekeringsarts K.C. Rammeloo. Uit deze rapportages blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de psychische klachten van appellante zo ernstig zijn dat van terugvordering dient te worden afgezien.
3. In hoger beroep heeft appellante - evenals in beroep - gewezen op het besluit op bezwaar van 2 juli 2008 waarbij op basis van de rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer van 1 juli 2008 wel van terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd afgezien wegens dringende reden gelegen in de psychische klachten van appellante. Appellante acht het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel dat in het kader van de onderhavige beoordeling niet wordt afgezien van terugvordering.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Niet in geschil is dat het Uwv aan appellante onverschuldigd ziekengeld heeft betaald. Evenmin is in geschil de hoogte van het terug te vorderen bedrag.
4.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv verplicht tot terugvordering over te gaan indien sprake is van onverschuldigde betaling van uitkering. Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien in het geval dringende redenen aanwezig zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad kan een dringende reden alleen aan de orde zijn wanneer de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft. Daarbij dient het te gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.
4.4. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
De Raad overweegt in dit verband dat in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Siem-Yoe op afdoende wijze wordt onderbouwd waarom er geen sprake is van dringende medische redenen om van terugvordering af te zien. Er is volgens Siem-Yoe geen sprake van een zeer ernstige psychiatrische aandoening, omdat appellante niet dysfunctioneert in het dagelijks leven. Er is volgens deze bezwaarverzekeringsarts dan ook geen sprake van een onvermogen tot psychisch en sociaal functioneren. Bezwaarverzekeringsarts Rammeloo heeft vervolgens naar aanleiding van de rapportage van bezwaarverzekeringsarts De Brouwer aangegeven geen aanleiding te zien af te wijken van het standpunt van Siem-Yoe. De Raad ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen temeer daar De Brouwer zich uitsluitend heeft gebaseerd op dossieronderzoek terwijl Siem-Yoe appellante heeft gezien en gesproken tijdens de hoorzitting zodat zij op basis van eigen onderzoeksbevindingen een gefundeerd oordeel heeft kunnen geven ten aanzien van de mogelijke gevolgen van de terugvordering voor appellante. Appellante heeft voorts geen nadere medische onderbouwing gegeven die tot een andersluidend oordeel moet leiden. Dat in het kader van de WAO op basis van de bevindingen van De Brouwer is afgezien van terugvordering impliceert naar het oordeel van de Raad niet dat in de onderhavige procedure - gezien het evidente verschil in het verrichte medische onderzoek - eveneens van terugvordering dient te worden afgezien. Het door appellante gedane beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.
5. Hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) R.L. Venneman.
EK