ECLI:NL:CRVB:2011:BP4653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verrekening bijstand en WAO-uitkering bij samenloop uitkeringen
Appellante en haar toenmalige echtgenoot ontvingen bijstand over de periode van 12 april 1996 tot en met 13 september 1998, gevolgd door bijstand voor alleenstaande ouder tot 30 juni 1999. Vanaf 1 juli 1999 ontving appellante een WAO-uitkering, met terugwerkende kracht toegekend vanaf 4 juli 1993. Overlap van bijstand en WAO-uitkering in de periode 1996-1999 leidde tot een verrekening van f. 80.324,77 door het UWV aan de gemeente Amsterdam.
Appellante betwistte in hoger beroep dat zij de bijstand over de periode 12 april 1996 tot en met 13 september 1998 daadwerkelijk heeft ontvangen en stelde dat verrekening daardoor onterecht was. Het College heeft dit tegengesproken met bewijsstukken waaronder maandelijkse specificaties en jaaropgaven van de Sociale Dienst Amsterdam.
De rechtbank oordeelde dat de verrekening terecht was en dat appellante geen financieel nadeel had geleden omdat de ontvangen bijstand hoger was dan de WAO-uitkering. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af, aangezien appellante onvoldoende heeft gesteld om het tegendeel aannemelijk te maken.
De Raad verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2000 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, wat appellante niet betwistte. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.