ECLI:NL:CRVB:2011:BP3975

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2487 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks psychische en lichamelijke klachten

Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel in 1997 uit wegens psychische en lichamelijke klachten en kreeg in 1998 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In 2007 herbeoordeelde het Uwv haar arbeidsongeschiktheid. Verzekeringsartsen concludeerden dat er geen ziekte of gebrek aanwezig was, maar erkenden functionele beperkingen die resulteerden in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Arbeidsdeskundig onderzoek wees op drie geschikte functies waarmee appellante een inkomen kon verdienen dat een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% rechtvaardigde. Het Uwv herzag daarop de uitkering per 20 april 2008.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante haar klachten en voegde verklaringen toe over flauwvallen en een GAF-score van 45, maar de Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de FML voldoende rekening hield met alle informatie.

De bezwaarverzekeringsarts had de GAF-score kritisch beoordeeld en de verklaringen van derden als onvoldoende objectief verworpen. Ook was vastgesteld dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren per de datum van herziening. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Uitspraak

10/2487 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2010, 08/2924 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 30 december 2010. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster bij [naam bedrijf] voor 25 uur per week. In 1997 is zij uitgevallen met psychische en lichamelijke klachten. In 1998 is haar een uitkering op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2.1. In 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herbeoordeeld. Daarbij is een onderzoek verricht door de verzekeringsarts die informatie bij de huisarts van appellante heeft opgevraagd en ontvangen en appellante ook heeft ontvangen op zijn spreekuur. Zijn conclusie was dat bij appellante, ondanks haar vele klachten, geen ziekte of gebrek aanwezig is. Daarna heeft de verzekeringsarts nog aanvullende informatie van de nieuwe huisarts van appellante ontvangen, maar die informatie heeft zijn conclusie niet gewijzigd. Daarna heeft een ander onderzoek door een tweede verzekeringsarts plaatsgevonden. Deze heeft aanvaard dat diverse functionele beperkingen bij appellante aanwezig zijn in verband waarmee een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld. Vervolgens zijn bij arbeidsdeskundig onderzoek drie voor appellante geschikt geachte functies geselecteerd. Vastgesteld is dat zij daarmee een zodanig inkomen kan verdienen dat de mate van arbeidsongeschiktheid 15 tot 25% bedraagt. De WAO-uitkering is bij besluit van 19 februari 2008 met ingang van 20 april 2008 dienovereenkomstig herzien.
2.2. Bij besluit van 22 augustus 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een advies van een bezwaarverzekeringsarts ten grondslag. Deze heeft – na kennisneming van onder meer nadere informatie van de appellante behandelend psychiaters A. Lisei en A. Hassani en het bijwonen van de hoorzitting van het Uwv – ingestemd met de FML.
Daarna is een bezwaararbeidsdeskundige, in overleg met de bezwaarverzekeringsarts, tot de conclusie gekomen dat de geselecteerde functie geschikt zijn voor appellante en dat de mate van arbeidsongeschiktheid uitkomt in de klasse
15 tot 25%.
3.1. Appellante heeft in beroep gesteld in het geheel niet te kunnen werken vanwege haar lichamelijke en chronische spanningsklachten. Ze valt regelmatig flauw vanwege hyperventilatie. Zij wijst er daarbij op dat volgens informatie uit
juni 2008 van psychiater Lisei haar spanningsklachten zijn toegenomen.
3.2. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit en met de (vanuit medisch oogpunt bezien) geschikt geachte functies. Zij heeft het beroep van appellante daarom ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellante haar onder 3.1 weergegeven stelling herhaald. Aanvullend heeft zij verklaringen toegestuurd van personen uit haar omgeving omtrent haar flauwvallen en een afsprakenkaart met betrekking tot de maand april 2010 van de fysiotherapeut ingezonden. Zij heeft benadrukt dat zij volgens haar behandelaars bij I-Psy (waar zij medio 2008 onder behandeling is gekomen) een GAF-score van 45 heeft.
5.1. De Raad is van oordeel dat naar de klachten en functionele beperkingen van appellante een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek is ingesteld. Ook is de Raad van oordeel dat in de FML, zoals deze is vastgesteld, voldoende rekening is gehouden met alle informatie die voorhanden was. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierover. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de bezwaarfase goed onderbouwd waarom er geen reden is om appellante minder belastbaar te achten, waarbij zij specifiek aandacht heeft besteed aan de door psychiater Hassani op 1 juli 2008 genoemde GAF-score van 45, welke score in het kader van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid slechts een relatieve waarde heeft. Hieromtrent heeft de bezwaarverzekeringsarts – voor de Raad navolgbaar – geconcludeerd dat niet duidelijk door Hassani is aangegeven op welke grond hij deze score van toepassing acht. Aan de door appellante in hoger beroep toegezonden verklaringen van enkele bekenden kan de Raad evenmin die waarde toekennen als appellante doet, nu deze verklaringen geen objectieve medische gegevens bevatten en ook niet duidelijk is welke periode het betreft. De informatie van de fysiotherapeut heeft voorts geen betrekking op de situatie van appellante op de in geding zijnde datum.
5.2. Naar het oordeel van de Raad is ook voldoende onderbouwd dat de parttime functies, zoals deze in aanmerking zijn genomen, op 20 april 2008 voor appellante medisch geschikt konden worden geacht.
5.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2011.
(get.) J. Brand.
(get.) R.L. Venneman.
NK