ECLI:NL:CRVB:2011:BP3889

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1138 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid

Appellant, werkzaam als medewerker technische dienst, meldde zich ziek wegens suikerziekte, concentratieproblemen en depressie en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV verklaarde hem per 3 december 2007 weer geschikt voor zijn arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen werden onderschat, met name door concentratieproblemen en trillende handen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd meegewogen dat de bezwaarverzekeringsarts appellant had onderzocht en medische informatie van huisarts, internist en psychiater had betrokken. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Raad oordeelde dat de medische gegevens onvoldoende aanleiding boden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts te wijzigen.

De Raad nam mee dat de psychiater had vastgesteld dat klachten samenhingen met de toenmalige werksituatie en dat na ontslag deze situatie was verdwenen. Ook het psychodiagnostisch onderzoek betrof een periode na de datum in geschil. De latere diagnose diabetes type I met matige regulatie was niet relevant voor de situatie per 3 december 2007.

Gezien het ontbreken van nieuwe medische gegevens en het ontbreken van aanwijzingen voor ongeschiktheid, bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 3 december 2007.

Uitspraak

09/1138 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2009, 08/1778 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als medewerker technische dienst, heeft zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving op 16 april 2007 ziek gemeld wegens suikerziekteklachten, concentratieklachten en depressie. Het Uwv heeft vervolgens aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
2. Appellant is daarna een aantal keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts. Op het laatste spreekuur van 27 november 2007 heeft de verzekeringsarts appellant weer geschikt geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 27 november 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 3 december 2007 geen recht (meer) heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
3. Bij besluit van 4 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 november 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick van 11 januari 2008/28 februari 2008, ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat zij geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 3 december 2007. In dat verband heeft zij overwogen dat bij de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts de informatie van appellants huisarts, internist en psychiater is betrokken.
5. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat - kort weergegeven - zijn lichamelijke en geestelijke beperkingen zijn onderschat en hij vanwege zijn concentratieproblemen en trillende handen zijn werk als medewerker technische dienst niet meer kan verrichten.
6. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
6.1. Op grond van artikel 19 van Pro de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Bij zijn beoordeling is het Uwv uitgegaan van het laatstelijk door appellant verrichte werk als medewerker technische dienst en heeft geoordeeld dat, onder verwijzing naar de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, appellant met inachtneming van de bij hem bestaande medische beperkingen in staat moet worden geacht om dat werk met ingang van 3 december 2007 weer te verrichten.
6.2. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de beschikbare medische informatie omtrent de gezondheidstoestand van appellant onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat deze arts appellant op zijn spreekuur heeft onderzocht, de beschikking had over het medische dossier van appellant alsmede informatie heeft ingewonnen bij de huisarts en de behandelend internist van appellant. Op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts kwam appellant vitaal en fit over en maakte hij een opgeruimde en zelfstandige indruk. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen tekenen van manifeste concentratiezwakte en/of psychopathologie kunnen waarnemen. In de brief van 23 januari 2008 meldt de huisarts slechts dat hij geen aanvullende informatie kan verstrekken over de suikerziekte van appellant, omdat de begeleiding en behandeling in handen zijn van het Diabetes & Adviescentrum. Voorts heeft de huisarts gewezen op het feit dat appellant op 5 december 2006 eenmalig de psychiater J.A.M. Rutgers van de Gelderse Roos/GGZ te Arnhem heeft geconsulteerd. De internist dr. L. Verschoor heeft in zijn brief van 25 februari 2008 vermeld dat bij appellant sprake is van een diabetes mellitus type II, dat met leefstijladviezen en insuline een adequate regulatie van de diabetes mellitus is bereikt en dat een enkele maal hypo’s optreden.
6.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant met ingang van 3 december 2007 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het in hoger beroep herhaalde standpunt dat de bevindingen van de psychiater Rutgers en de bevindingen van het algemeen psychodiagnostisch onderzoek van Ausems en Kerkvliet van 17 november 2008, in samenhang met elkaar moeten worden gezien, volgt de Raad niet. Zoals de rechtbank heeft overwogen blijkt uit de rapportage van de psychiater Rutgers dat de lichamelijke en depressieve klachten van appellant werden veroorzaakt door zijn toenmalige werksituatie. Na het ontslag van appellant eind 2006 heeft die situatie opgehouden te bestaan. Uit het onderzoek van Rutgers blijkt niet dat de psychische klachten van appellant eraan in de weg staan dat hij zijn werk van medewerker technische dienst bij een andere soortgelijke werkgever kan verrichten. Met de rechtbank wijst de Raad er bovendien nog op dat Rutgers van oordeel was dat appellant gebaat is bij een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk. Wat betreft het algemeen psychodiagnostisch onderzoek van 14 november 2008 heeft de psycholoog in de rapportage expliciet aangegeven dat op grond van de door appellant gepresenteerde klachten alleen iets kan worden gezegd over zijn huidige toestandsbeeld, dus een toestandsbeeld van ongeveer elf maanden na de datum hier in geding. Ten aanzien van de door appellant aangevoerde grond dat op 22 mei 2008 is vastgesteld dat hij lijdt aan diabetes mellitus type I met een matige regulatie in plaats van type II met een adequate regulatie waarvan het Uwv nog is uitgegaan, overweegt de Raad dat deze grond appellant niet kan baten nu deze bevinding ver na de datum in geding ligt en niet wil zeggen dat daardoor zijn medische beperkingen zijn onderschat.
6.4. Nu in hoger beroep door appellant geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat hij vanwege zijn concentratiezwakte en trillende handen ongeschikt is voor het verrichten van zijn werk van medewerker technische dienst, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank of om een deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek.
7. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter, C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
KR