ECLI:NL:CRVB:2011:BP3324

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3551 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering op basis van medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% per 21 november 2008. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit voldoende was.

In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat het verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis niet was toegepast en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) een verborgen beperking bevatte. De Raad overwoog dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en weloverwogen was en dat het protocol slechts een hulpmiddel is, niet dwingend voorschrijvend.

De Raad stelde vast dat de FML van 6 november 2008 adequaat rekening houdt met de beperkingen van appellant, waaronder het hanteren van lasten tot 10 kilogram. De vermeende verborgen beperking werd niet vastgesteld. Ook de arbeidskundige rapportage bevestigde dat de belastbaarheid passend was voor de geschatte functies.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit een juiste medische en arbeidskundige grondslag heeft en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

10/3551 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2010, 09/1520 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2010. Voor appellant is verschenen mr. J.R. Ali, advocaat te ’s-Gravenhage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep van appellant is gericht tegen het besluit van 7 april 2009 (hierna: het bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 28 november 2008. Daarbij is bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 november 2008 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
3. In hoger beroep heeft appellant zich – onder meer – op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest nu geen gebruik is gemaakt van het verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis. Tevens heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd het bestreden besluit te vernietigen wegens het ontbreken van een deugdelijke medische grondslag, nu de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 november 2008 een verborgen beperking bevat op het aspect frequent zware lasten hanteren tijdens het werk.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van die artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest en houdt de FML van 6 november 2008 voldoende rekening met alle beperkingen van appellant. Daarbij tekent de Raad – onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 september 2009 (LJN BJ7873) – aan dat een verzekeringsgeneeskundig protocol geldt als hulpmiddel bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling waarbij het protocol niet dwingend voorschrijft dat alle daarin genoemde onderdelen van de beoordeling dan wel alle aspecten die zich bij een depressieve stoornis mogelijk voor kunnen doen ook expliciet door de (bezwaar)verzekeringsarts moeten worden besproken. De Raad acht van belang dat bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon met zijn rapportage van 13 februari 2009 genoegzaam heeft gemotiveerd dat, rekening houdende met de door de behandelend psycholoog G.G. Haringsma vastgestelde dysthyme stoornis bij een GAF-score van 70, in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren.
4.3. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de FML van 6 november 2008 op item 4.16 een verborgen beperking bevat. De verzekeringsartsen hebben vastgesteld dat appellant niet in staat is om gedurende ongeveer een uur per werkdag frequent lasten te hanteren van ongeveer 15 kilogram en niet aan de normaalwaarde kan voldoen. Daarom is op item 4.16 een beperking aangenomen. In de toelichting is vermeld dat appellant wel lasten kan hanteren tot 10 kilogram. Daarmee is van een verborgen beperking als aan de orde in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 23 februari 2007 (LJN AZ9153) geen sprake.
4.4. Met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée van 1 april 2009, in samenhang bezien met de Notities functiebelasting van 13 november 2008, is naar het oordeel van de Raad voldoende inzichtelijk gemaakt dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen zware lasten behoeven te worden gehanteerd die een gewicht van 10 kilogram te boven gaan. Met de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven motivering staat ook voldoende vast dat de belasting op het aspect “tillen” in de functie van productiemedewerker industrie niet tot een overschrijding van de met de FML van 6 november 2008 verwoorde belastbaarheid van appellant leidt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de schatting berust op functies die in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten.
5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit is voorzien van een juiste medische en arbeidskundige grondslag. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.Greebe, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011.
(get.) M. Greebe.
(get.) M. Mostert.
JL