ECLI:NL:CRVB:2011:BP3165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toekenning WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht het UWV om een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid en een toekenning van een WAO-uitkering op grond van vermeende toename van haar beperkingen, met name door vermoeidheids- en spanningsklachten. Het UWV weigerde dit omdat uit medisch onderzoek geen sprake bleek van toegenomen arbeidsongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 43a van de WAO.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen objectieve medische aanwijzingen waren voor een urenbeperking of een toename van arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar chronische vermoeidheidsklachten en een recente KNO-arts diagnose, maar kon dit niet onderbouwen met schriftelijke medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen objectieve medische gronden waren om het besluit te herzien. De Raad wees ook op het ontbreken van een diagnose van CVS of ME en verwierp de vergelijking met een eerdere uitspraak. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.