ECLI:NL:CRVB:2011:BP2234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant ontving sinds 1994 bijstand, maar beschikte gedurende de periode van 28 maart 2000 tot en met 14 september 2006 over vermogen boven de vermogensgrens, dat niet was opgegeven aan het College. Het College trok de bijstand in en vorderde terugbetaling van de ontvangen bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde de besluiten, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stelde appellant dat hem geen verwijt treft, dat het College tekort is geschoten in de voorlichting en dat de interingsnorm met factor 1,5 toegepast moest worden. De Raad vernietigt het besluit over terugvordering vanwege gewijzigde jurisprudentie en beperkt de terugvordering tot een lagere periode en bedrag. De intrekking van de bijstand blijft gehandhaafd.
De Raad oordeelt dat appellant de wettelijke inlichtingenplicht niet is nagekomen en dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering. Er zijn geen dringende redenen om verder af te zien van terugvordering. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt gehandhaafd en de terugvordering beperkt; beroep tegen terugvordering wordt gegrond verklaard.