ECLI:NL:CRVB:2010:BP1072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig op opgegeven adres
Appellant ontving bijstand van het College van burgemeester en wethouders van Nieuwegein, maar na een melding dat hij niet woonde op het door hem opgegeven adres, voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Dit onderzoek omvatte dossieronderzoek, verhoren van appellant, betrokkenen en buurtbewoners, en het opvragen van gegevens bij nutsbedrijven.
Op grond van de onderzoeksbevindingen besloot het College de bijstand over de periode van 14 januari 2004 tot en met 9 mei 2006 in te trekken en de kosten terug te vorderen, omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde en zijn verblijf elders niet duidelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat de onderzoeksresultaten voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College. Verklaringen van appellant, zijn ex-partner en buurtbewoners, gecombineerd met het lage waterverbruik, ondersteunen het oordeel dat appellant niet feitelijk op het opgegeven adres woonde. Tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van bewijs van een ander hoofdverblijf leiden tot afwijzing van het beroep.
De Raad wijst ook het argument van appellant af dat bepaalde verklaringen niet aan het besluit ten grondslag mochten worden gelegd. De Raad hecht geen betekenis aan latere intrekkingen van verklaringen als deze eerder onder ambtseed zijn afgelegd. Het feit dat het College later opnieuw bijstand toekende, doet niet af aan de beoordeling van de periode in geschil.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde.