ECLI:NL:CRVB:2010:BO9526
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing individuele voorziening hulp bij het huishouden wegens gebruikelijke zorg binnen gezin
Appellant vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een individuele voorziening aan voor hulp bij het huishouden. Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht wees de aanvraag af omdat in het huishouden personen aanwezig zijn die het huishoudelijk werk kunnen verrichten. Dit werd ondersteund door een advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende medische gegevens had overgelegd om te bewijzen dat zijn echtgenote en meerderjarige kinderen niet in staat waren gebruikelijke zorg te verlenen. Ook een beroep op de hardheidsclausule werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn echtgenote beperkingen heeft en dat de oudste dochter het huishouden had verlaten. De Raad stelde vast dat de echtgenote wel beperkingen heeft, maar nog een bijdrage kan leveren en dat de overige kinderen gezond waren en het huishouden deden. Appellant bracht geen concrete medische informatie in om dit te weerleggen.
De Raad concludeerde dat het College terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat gebruikelijke zorg binnen het huishouden mogelijk is. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde wegens onvoldoende feiten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor huishoudelijke hulp wordt afgewezen omdat gebruikelijke zorg binnen het huishouden mogelijk is.