ECLI:NL:CRVB:2010:BO9257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de arbeidskundige beoordeling juist.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar subjectieve klachten niet in overeenstemming waren met de objectieve bevindingen en verwees zij naar een brief van haar behandelend arts-assistent waarin sprake was van toenemende klachten. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV voldoende overtuigend had aangetoond dat appellante met de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de geduide functies kon uitoefenen.
De Raad achtte de medische basis van het besluit deugdelijk en vond geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.