ECLI:NL:CRVB:2010:BO8858

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6509 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 7:15 AwbArt. 7:28 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proceskostenveroordeling in zaak voortzetting huishoudelijke verzorging WMO

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage heeft bij besluit van 14 april 2008 de aanvraag van betrokkene om voortzetting van huishoudelijke verzorging in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) afgewezen. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Na beroep bij de rechtbank heeft het College het bezwaar alsnog ontvankelijk verklaard en het bezwaar inhoudelijk ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 30 juni 2008 niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en wees het beroep tegen het inhoudelijke besluit ongegrond. Tevens veroordeelde de rechtbank het College tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, begroot op € 322,--. Het College stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de proceskostenveroordeling onterecht was, omdat betrokkene zonder rechtsbijstand beroep had ingesteld tegen het eerste besluit en de rechtsbijstand alleen betrekking had op het latere besluit.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank bevoegd was tot volledige proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb Pro en dat de proceskosten redelijkerwijs zijn gemaakt, mede gelet op de inzet van ARAG Rechtsbijstand. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding tot een eigen proceskostenveroordeling en bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage een griffierecht van € 447,-- dient te betalen.

Uitkomst: Het hoger beroep van het College wordt afgewezen en de proceskostenveroordeling van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

09/6509 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 november 2009, 08/5892 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
Datum uitspraak: 8 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Het College heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2010. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Bij besluit van 14 april 2008 heeft het College de aanvraag van betrokkene om voortzetting van de huishoudelijke verzorging in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning afgewezen.
1.3. Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het College het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 april 2008 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat is ingediend.
1.4. Betrokkene heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juni 2008. Bij brief van 30 oktober 2008 heeft het College de rechtbank medegedeeld dat het besluit van 30 juni 2008 niet langer wordt gehandhaafd, dat het bezwaar van betrokkene alsnog ontvankelijk is verklaard en dat met het besluit van 23 oktober 2008 een inhoudelijk besluit op het bezwaar van betrokkene is genomen. Bij dit besluit van 23 oktober 2008 heeft het College het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 april 2008 ongegrond verklaard. Bij brief van 16 december 2008 heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand zich als gemachtigde voor betrokkene gesteld.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 30 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat betrokkene geen belang meer heeft bij een beoordeling van het vervallen verklaarde besluit van 30 juni 2008. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 23 oktober 2008 ongegrond verklaard en aanleiding gezien het College te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op een bedrag van € 322,--.
2.2. Het College heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het de proceskostenveroordeling betreft. Het College heeft aangegeven dat betrokkene zonder tussenkomst van een rechtshulpverlener beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 30 juni 2008, zodat in zoverre geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het beroep van mr. De Rooij ziet uitsluitend op het besluit van 23 oktober 2008, hetwelk door de rechtbank ongegrond is verklaard.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Artikel 8:75, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt, voor zover van belang:
“1. De rechtbank is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. (…) Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.”
3.2. Artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht luidt, voor zover van belang;
“Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk Pro een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,”
3.3. Anders dan het College ziet de Raad geen aanleiding de uitoefening door de rechtbank van de haar in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid voor onjuist te houden. In de gegeven omstandigheden kan in beginsel worden overgegaan tot een volledige proceskostenveroordeling en dient te worden beoordeeld of de proceskosten redelijkerwijs zijn gemaakt. Gelet op de proceshandelingen van ARAG rechtsbijstand is ook aan dit vereiste voldaan.
3.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Bepaalt dat van de gemeente ’s-Gravenhage een griffierecht wordt geheven van € 447,--.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2010.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) J. de Jong.
IJ