ECLI:NL:CRVB:2010:BO7975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WIA-uitkering na het einde van de wachttijd, maar het UWV wees dit af omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een melding van toegenomen klachten op 4 mei 2007 werd een nieuw medisch onderzoek uitgevoerd, dat geen toename van beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak vaststelde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het besluit van het UWV op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag berustte. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat appellante geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die het oordeel van de verzekeringsarts konden betwijfelen.
De Raad concludeerde dat de functies die voor de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage werden gebruikt medisch geschikt waren en dat het percentage onder de 35% bleef. De beoordeling in het kader van de Ziektewet leidde niet tot een ander oordeel over de WIA-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.