ECLI:NL:CRVB:2010:BO7903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- C. van Viegen
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correctie- en boetenota’s wegens privaatrechtelijke dienstbetrekking directeur/aandeelhouders
Appellante, een besloten vennootschap, werd geconfronteerd met correctie- en boetenota’s van het Uwv wegens het niet afdragen van premies voor twee directeur/aandeelhouders over de jaren 2002 tot en met 2005. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege de feitelijke gezagsrelatie, ondanks het aandeelhouderschap.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt en dat er geen gezagsverhouding bestond. De Raad oordeelde dat het grootste deel van de beloning betrekking had op werkzaamheden voor appellante en dat de statutaire bepalingen en eigendomsverhoudingen geen doorslaggevende invloed gaven aan de directeur/aandeelhouders in de algemene vergadering, waardoor een gezagsrelatie aannemelijk was.
De Raad verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en concludeerde dat de correctie- en boetenota’s terecht waren opgelegd. Tevens oordeelde de Raad dat het bewijsaanbod van appellante onvoldoende concreet was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de correctie- en boetenota’s terecht zijn opgelegd omdat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met gezagsverhouding.