ECLI:NL:CRVB:2010:BO7588

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-340 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als bouwopruimer, meldde zich ziek wegens rug-, buikklachten en tintelingen aan de arm. Het UWV kende aanvankelijk een Ziektewetuitkering toe. Na medisch onderzoek door de bedrijfsarts en bezwaarverzekeringsarts werd vastgesteld dat appellant per 18 maart 2008 geschikt was voor zijn eigen werk, ondanks resterende beperkingen.

Het UWV beëindigde daarom het ziekengeld en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medische onderzoek onzorgvuldig was en dat onvoldoende overleg met de behandelende sector had plaatsgevonden.

De Raad overwoog dat de bezwaarverzekeringsarts het dossier uitgebreid had bestudeerd en appellant zelf had onderzocht. Alle klachten, waaronder rug-, arm- en psychische klachten en suikerziekte, werden beoordeeld. Er werden geen beperkingen vastgesteld die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen, mede omdat het werk geen excessieve belastingen kent.

De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd en vond nader overleg met de behandelende sector niet noodzakelijk, mede omdat appellant voorafgaand aan ziekmelding nauwelijks contact had met zijn huisarts.

De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 18 maart 2008. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het recht op ziekengeld wordt beëindigd omdat appellant niet arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk.

Uitspraak

09/340 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2008, 08/4868 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bissessur. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als bouwopruimer, heeft zich op 19 december 2007 ziek gemeld vanwege rug- en buikklachten en tintelingen aan de arm. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
2. Na zijn ziekmelding is appellant op 12 maart 2008 gezien op het spreekuur van de bedrijfsarts N. Wildenborg, die na eigen onderzoek heeft geconcludeerd dat appellant per 18 maart 2008 volledig geschikt is voor het eigen werk bij zijn werkgever, ondanks resterende beperkingen. Bij besluit van 12 maart 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 18 maart 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn eigen werk. Bij besluit van 11 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 maart 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 11 juni 2008, ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en voorts dat
- ondanks dat de bezwaarverzekeringsarts geen inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelende sector - daaruit voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant geldende beperkingen te kunnen komen. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook op goede gronden besloten appellant met ingang van 18 maart 2008 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
4. In hoger beroep zijn namens appellant de gronden herhaald, die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Appellant stelt zich andermaal op het standpunt dat het medische onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelende sector.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Blanker van 11 juni 2008. Deze heeft het dossier van appellant bestudeerd, de hoorzitting van 11 juni 2008 bijgewoond en heeft vervolgens appellant aan een eigen uitgebreid aanvullend medisch onderzoek onderworpen. De bezwaarverzekeringsarts heeft alle klachten van appellant, te weten rugklachten als hoofdklacht, psychische klachten, klachten van de rechterarm/rechterzijde van het lichaam en de suikerziekte, onderzocht. Volgens de bezwaarverzekeringsarts gaat het om aspecifieke rugklachten waarvoor - naar actueel medisch inzicht - geldt dat de rug normaal kan worden gebruikt, inclusief rugbelastende taken. In het werk van appellant is geen sprake van excessief rugbelastende taken. Voor de niet-insuline afhankelijke suikerziekte en de armklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts geen beperkingen kunnen vaststellen. Ook ten aanzien van de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts geen beperkingen kunnen vaststellen temeer nu het werk van appellant geen aanzienlijke psychisch belastende arbeid betreft en de aandacht en concentratie van appellant voldoende blijken.
5.2. Op basis van de aanwezige gegevens is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat inzichtelijk en deugdelijk is gemotiveerd dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW, omdat de maatstaf arbeid binnen de medische mogelijkheden van appellant ligt. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat op grond daarvan nader overleg met de behandelende sector achterwege heeft kunnen blijven, niet in de laatste plaats nu appellant voorafgaande aan zijn ziekmelding nauwelijks contact had met zijn huisarts.
6. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen, volgt dat de Raad evenals de rechtbank van oordeel is dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 18 maart 2008 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) M.D.F. de Moor.
EK