ECLI:NL:CRVB:2010:BO7524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- B.M. van Dun
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAZ-uitkering wegens afwijking fiscale keuze bij werkzaamheden commissies
Appellant ontvangt sinds 1998 een WAZ-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij exploiteert samen met zijn echtgenote een agrarisch bedrijf in een maatschap met een winstverdeling van 60% voor appellant en 40% voor zijn echtgenote. In 2002 verrichtte appellant werkzaamheden voor verschillende commissies, waarvoor hij vacatiegelden ontving van € 85.287,20.
Het UWV heeft bij besluiten van 12 juni 2007 deze vacatiegelden niet toegerekend aan de maatschap, maar aan appellant persoonlijk, waardoor de WAZ-uitkering over 2002 werd aangepast naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en een bruto terugvordering van € 6.636,86 werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat volgens vaste jurisprudentie de fiscale keuze van de verzekerde doorslaggevend is, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren omdat de inkomsten uit commissiewerkzaamheden geen voldoende duidelijke relatie hadden met de maatschap. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij deze werkzaamheden vanuit de maatschap had verricht en dat het UWV zijn fiscale keuze moest volgen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de terugvordering en aanpassing van de uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.