ECLI:NL:CRVB:2010:BO4295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken relevant arbeidsurenverlies
Appellante was sinds 1997 werkzaam voor 36 uur per week, maar wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid was zij vanaf 1999 voor maximaal 50% belastbaar, gelijk aan 18 uur per week. Vanaf 2002 werkte zij 20 uur per week bij een andere stichting, waarna haar WAO-uitkering werd aangepast en uiteindelijk per 1 juli 2004 werd beëindigd.
Op 3 januari 2008 vroeg appellante een WW-uitkering aan met ingang van 1 juli 2004, maar deze werd geweigerd omdat er geen sprake was van een relevant arbeidsurenverlies. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard door het Uwv en bevestigd door de rechtbank.
De Raad overweegt dat appellante op 1 juli 2004 voor 18 uur per week belastbaar was en 20 uur per week werkte, zodat zij geen arbeidsuren verloor en niet werkloos is in de zin van artikel 16, eerste lid, WW. Dit oordeel blijft ook staan als zij elders werkzaamheden zou hebben verricht. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat appellante geen relevant arbeidsurenverlies heeft geleden.