ECLI:NL:CRVB:2010:BO4117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens ontbreken relevant arbeidsurenverlies
Appellant, werkzaam als boekhouder met een arbeidsomvang van 15 uur per week, werd gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en verrichtte tot januari 2005 thuiswerkzaamheden. Na het wegvallen van deze werkzaamheden vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV wees dit af omdat appellant niet voldeed aan het criterium van relevant arbeidsurenverlies zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder a, van de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat appellant in de 26 weken voorafgaand aan 15 mei 2007 slechts 7,5 uur per week werkte, waardoor geen recht op WW-uitkering bestond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn aanspraak op WW-uitkering per 29 januari 2005 moest worden vastgesteld en verzocht om schadevergoeding en het oproepen van getuigen.
De Raad overwoog dat het aanvraagformulier van appellant de datum 15 juni 2007 vermeldde als laatste werkdag en dat appellant niet had gereageerd op vragen van het UWV over de beoordelingsperiode. De Raad bevestigde dat appellant per 15 mei 2007 geen recht had op WW-uitkering wegens het ontbreken van relevant arbeidsurenverlies. Verder oordeelde de Raad dat het verzoek om schadevergoeding en het oproepen van getuigen ongegrond waren en dat het recht op een eerlijk proces niet was geschonden.
Internationale verdragen boden geen grond voor een ander oordeel en er was geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het hoger beroep werd afgewezen en de rechtbankuitspraak bevestigd. Tevens werd het verzoek om vergoeding van schade en proceskosten afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant heeft geen recht op WW-uitkering per 15 mei 2007.