ECLI:NL:CRVB:2010:BO3802
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 24 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen bij loongerelateerde uitkering
Appellant trad op 5 januari 2004 in dienst bij zijn werkgever en viel op 21 februari 2005 uit wegens ziekte. Het UWV kende hem per 19 februari 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, berekend op basis van een dagloon van €131,46 over het refertejaar 1 februari 2004 tot 31 januari 2005. Omdat het refertejaar vóór 1 januari 2006 lag, werd artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen toegepast, waarbij de uitbetaalde vakantiebijslag werd meegenomen in plaats van de opgebouwde vakantiebijslag.
Appellant voerde aan dat dit artikel buiten toepassing moest blijven omdat het tot onredelijke en ongewenste uitkomsten leidt en de besluitgever zijn bevoegdheid had overschreden. De Raad oordeelde echter dat artikel 24, tweede lid, een overgangsregeling betreft die niet in strijd is met artikel 13 van Pro de WIA. De lagere dagloonberekening vloeit voort uit het feit dat appellant pas in januari 2004 in dienst trad, waardoor vakantiebijslag slechts over een deel van het refertejaar werd opgebouwd.
Verder stelde appellant dat het UWV artikel 2, vierde lid, van het Besluit had moeten toepassen, dat loon omvat dat vorderbaar maar niet inbaar is geworden. De Raad stelde vast dat de vakantiebijslag conform de wettelijke hoofdregel jaarlijks in mei werd uitbetaald en dat de werkgever handelde volgens de CAO en arbeidsovereenkomst. Hierdoor was er geen grond voor de stelling dat de vakantiebijslag maandelijks vorderbaar was.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding aan appellant toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de correcte toepassing van artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen en wijst het hoger beroep af.