ECLI:NL:CRVB:2010:BO3776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als metaalpersbediende en viel in januari 2003 uit wegens psychische klachten. Na de wachttijd kreeg hij een WAO-uitkering toegekend voor 80-100% arbeidsongeschiktheid, die ongewijzigd werd voortgezet. Het UWV trok de uitkering in augustus 2008 in op grond van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn.
Appellant voerde in beroep en hoger beroep aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is door psychische en lichamelijke aandoeningen, waaronder hartklachten, maag- en darmproblemen en suikerziekte. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit vanwege een gebrekkige motivering in de beroepsfase.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald, maar geen aanvullende medische stukken overgelegd. De Raad concludeert dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en consistent is en dat alle beschikbare medische informatie is meegewogen. Het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige toont aan dat de geselecteerde functies passend zijn binnen de belastbaarheid van appellant.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.