ECLI:NL:CRVB:2010:BO3774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80 procent ondanks bezwaar appellant
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij recht heeft op een WIA-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voldoende rekening hield met zijn beperkingen en de gekozen functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet in staat is fulltime te werken vanwege onvoldoende energie, en verzocht om uitstel van de beslissing zodat recent hartonderzoek kon worden betrokken. De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe, specifieke gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank konden wijzigen.
De brief van de cardioloog uit maart 2009, aangevoerd door appellant, betrof geen onderzoek dat relevant was voor de datum in geschil en bevestigde dat sprake was van een matige hartfunctie zonder hartfalen. De Raad concludeerde dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellant juist had vastgesteld.
Het verzoek om uitstel van beslissing werd afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het onderzoek tijdig in de procedure ingebracht had kunnen worden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% wordt bevestigd.