ECLI:NL:CRVB:2010:BO3729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering, die door het UWV is afgewezen op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit besluit werd gehandhaafd en onherroepelijk nadat appellant geen rechtsmiddel tegen het handhavingsbesluit had ingesteld.
Na een eerdere uitspraak van de Raad over de Ziektewet, waarin werd geoordeeld dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd of appellant geschikt was voor zijn werk, werd appellant alsnog een Ziektewetuitkering toegekend. Vervolgens verzocht appellant om herziening van het eerdere WAO-besluit, maar dit verzoek werd afgewezen omdat er geen sprake was van een nieuw feit of gewijzigde omstandigheid.
In hoger beroep betwist appellant niet dat het verzoek om herziening terecht werd afgewezen, maar stelt dat artikel 32, eerste lid, van de Ziektewet van toepassing zou moeten zijn. De Raad oordeelt dat dit artikel niet van toepassing is omdat er geen sprake is van samenloop van ziekengeld met andere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is en artikel 32, eerste lid, van de Ziektewet niet van toepassing is.