ECLI:NL:CRVB:2010:BO3533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ingangsdatum verlaging bijstandsmaatregel wegens niet-naleving arbeidsinschakeling
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en nam deel aan een re-integratietraject waarbij hij werkzaamheden verrichtte bij Alescon als medewerker plantsoenendienst. Na een driegesprek op 15 februari 2008 werd afgesproken dat appellant zijn werkzaamheden op 18 februari 2008 zou hervatten, maar hij verscheen niet op het werk zonder bericht van verhindering.
De Raad stelde vast dat appellant niet in staat was om zijn werkzaamheden te verrichten en dat geen sprake was van een ziekmelding of medische belemmeringen. Appellant had de verplichting om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet nagekomen, wat een grond vormde voor verlaging van de bijstand met 20% gedurende een maand.
Echter oordeelde de Raad dat de ingangsdatum van de verlaging niet conform artikel 6, eerste lid, van de verordening was vastgesteld, omdat deze niet was vastgesteld op de eerstvolgende kalendermaand na bekendmaking van het besluit. Daarom vernietigde de Raad het besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelde deze vast op 1 april 2008.
Daarnaast veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellant voor zowel beroep als hoger beroep en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsverlaging wordt vastgesteld op 1 april 2008 en het College wordt veroordeeld in de proceskosten.