ECLI:NL:CRVB:2010:BO3277
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WAZ-uitkering aangevraagd op grond van arbeidsongeschiktheid sinds 1990. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant in staat wordt geacht met zijn beperkingen gangbare functies te verrichten die voldoende inkomen opleveren, waardoor zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.
De rechtbank vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het hoger beroep richtte zich tegen deze beslissing, stellende dat het medische onderzoek onzorgvuldig was, de arbeidsbeperkingen werden onderschat, en dat vermoeidheidsklachten een urenbeperking van 20 uur per week rechtvaardigen. Tevens werd aangevoerd dat de maatmanomvang voor de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit onjuist was.
De Raad overwoog dat de medische beoordeling volledig en zorgvuldig was, met beperkingen vastgesteld door verzekeringsartsen. Er was geen medische indicatie voor een urenbeperking. De arbeidskundige rapportages gaven aan dat appellant de geduide functies kan uitoefenen zonder de belastbaarheid te overschrijden. De berekening van het verlies aan verdiencapaciteit is correct toegepast, waarbij een wijziging van de maatmanomvang geen gunstiger resultaat oplevert.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.