[Appellant], wonende te Leiden (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juni 2009, 08/7692 (hierna: de aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 november 2010
Namens appellant stelde mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, hoger beroep in en zond een medische verklaring toe.
De zitting vond plaats op 2 maart 2010. Namens appellant verscheen mr. De Bruin. Namens het Uwv verscheen mr. K.M. Schuijt.
De Raad schorste het onderzoek. Op 28 mei 2010 onderzocht de bezwaarverzekeringsarts appellant. Het Uwv deed het verslag van 10 juni 2010 aan de Raad toekomen.
De vervolgzitting vond plaats op 24 september 2010. Appellant liet zich vertegenwoordigen door mr. De Bruijn, namens het Uwv verscheen mr. J.J. Grasmeijer.
1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 10 september 2008 dat het Uwv nam ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met dat besluit handhaaft het Uwv ondanks het bezwaar van appellant zijn besluit van 28 februari 2008, waarbij hij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 april 2008 verlaagde; hij deelde appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25% in.
2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
3.1. Appellant werkte laatstelijk als medewerker afterpress in een drukkerij. Ingaande
15 februari 2001 staakte hij dat werk wegens een psychose door het gebruik van een antimalariamiddel. Medio juni 2001 verergerde de kwaal zodanig dat een klinische opname nodig was, aansluitend gevolgd door een dagbehandeling.
3.2. Uit de informatie van de appellant behandelende psychiater in februari 2002 bleek dat zijn gezondheid verbeterde. De behandelaar schatte in dat appellant gebaat zou zijn bij werkhervatting. De verzekeringsarts stelde een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met daarin een duurbeperking (maximaal vier uur per dag, 20 uur per week). De arbeidsdeskundige selecteerde enkele geschikte functies en becijferde het loonverlies op bijna 70%. Het Uwv verlaagde de WAO-uitkering van appellant en deelde hem in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80% in.
3.3. Per 1 maart 2005 beëindigde het Uwv de WAO-uitkering van appellant, omdat hij niet op het spreekuur van de verzekeringsarts verscheen. In mei 2006 vroeg appellant heropening van zijn WAO-uitkering na een verblijf van ongeveer 2½ jaar in Senegal. Tijdens dat verblijf in het buitenland was ernstig letsel aan zijn rechterhand ontstaan.
3.4. Met ingang van 20 september 2006 deelde het Uwv appellant in in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%.
3.5. De verzekeringsarts onderzocht appellant op zijn spreekuur in september 2007. Hij vond geen tekenen van manifest invaliderende psychopathologie. Appellant was niet meer onder medische behandeling in Nederland. Hij liet zich in Senegal traditioneel behandelen. Appellant was bezig met het opzetten van een eigen bedrijf. De verzekeringsarts stelde een FML op met enige beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren en het gebruik van de rechterhand. Appellant verscheen niet tijdens de hoorzitting.
3.6. Appellant is niet langer geschikt voor zijn eigen werk. De uit de FML blijkende arbeidsbeperkingen verhinderen naar het oordeel van de arbeidsdeskundige appellant echter niet om andere werkzaamheden te verrichten. De arbeidsdeskundige selecteerde daarvan zes voorbeelden, waarvan de bezwaararbeidskundige er vier handhaafde. Hiermee ontstaat een loonverlies van ongeveer 24%.
4.1. In hoger beroep herhaalt appellant als beroepsgrond dat het Uwv zijn medische beperkingen, in het bijzonder die als gevolg van zijn psychische toestand, onderschat. Hij onderbouwt dat met de verwijzing naar een verklaring van I-Psy, die, als hoofddiagnose psychotische stoornis niet anders omschreven en als nevendiagnosen obsessief-compulsieve stoornis en cannabisafhankelijkheid vermeldt.
4.2. Op de zitting van 2 maart 2010 bereikten partijen overeenstemming over aanvullende onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. Dat onderzoek vond plaats op 28 mei 2010. Uit het verslag van 10 juni 2010 komt naar voren dat appellant als zelfstandige werkt en voor zijn eigen bedrijf veelvuldig langere perioden in Senegal verblijft. De bezwaarverzekeringsarts constateert dat aanvullende medische informatie uit Nederland, die ziet op 28 april 2008, ontbreekt. In de door appellant in hoger beroep ingebrachte geneeskundige gegevens ontbreken de bevindingen bij psychiatrisch onderzoek en de daarin vermelde lage GAF-score doet vermoeden dat de behandelaar niet op de hoogte is van de buitenlandse reizen en de handelsactiviteiten van appellant. De bezwaarverzekeringsarts ziet geen reden om uit te gaan van ernstiger arbeidsbeperkingen dan aangegeven in de FML.
5.1. Met de rechtbank ziet de Raad geen reden om de beoordeling door en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts in twijfel te trekken. De Raad is het eens met de overwegingen in de aangevallen uitspraak. De door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad kan zich vinden in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 10 juni 2010.
5.2. De (bezwaar)arbeidsdeskundige lichtte overtuigend toe dat appellant geschikt is voor de vier als geschikt gehandhaafde functies.
6. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.
(get.) M.A. van Amerongen.