ECLI:NL:CRVB:2010:BO3231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs van woonadres
Appellant diende eind mei 2007 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij hij verklaarde alleenwonend te zijn op een opgegeven adres. Het College voerde twijfel over de feitelijke bewoning vanwege een laag energiekostenbedrag en eerdere afwijzing wegens oncontroleerbare woonsituatie. Op 22 juni 2007 vond een huisbezoek plaats waarbij geen sporen van recente bewoning werden aangetroffen, zoals persoonlijke verzorgingsartikelen, recente poststukken of bankafschriften.
Het College wees de aanvraag af op 4 juli 2007, gehandhaafd na bezwaar op 4 september 2007, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt op het opgegeven adres te wonen en gevraagde informatie over verzekeringen niet had verstrekt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Raad dat de verklaring van appellant over zijn verblijf in België onvoldoende was om de afwezigheid van persoonlijke spullen te verklaren.
Gezien de rapportage van het huisbezoek en overige gegevens concludeerde de Raad dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het opgegeven adres en dat daardoor zijn recht op bijstand niet vastgesteld kan worden. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het opgegeven adres.