ECLI:NL:CRVB:2010:BO1327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- O.L.H.W.I. Korte
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-naleving inlichtingenplicht en verrichten betaalde arbeid
Appellant ontving bijstand sinds 1996 en werd na een anonieme melding onderzocht op het verrichten van betaalde arbeid bij een kledingreparatiebedrijf. Het College trok de bijstand in met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2006, later gewijzigd naar 30 juni 2007. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag boden voor de conclusie dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Appellant was meerdere malen waargenomen bij het bedrijf en had verklaard daar sinds augustus 2006 te werken en een vergoeding te ontvangen. Hoewel appellant later zijn verklaring introk en stelde alleen aanwezig te zijn voor afleiding, vond de Raad zijn eerste verklaring betrouwbaarder.
De Raad benadrukte dat aanwezigheid tijdens reguliere werktijden de veronderstelling rechtvaardigt dat er arbeid wordt verricht. Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval was. Door het niet melden van deze werkzaamheden schond appellant zijn inlichtingenplicht, waardoor het College terecht de bijstand introk. De latere herstart van bijstand vanaf december 2007 betekent niet dat de eerdere intrekking onterecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens het verrichten van betaalde arbeid zonder melding en schending van de inlichtingenplicht.