ECLI:NL:CRVB:2010:BO1056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing langdurigheidstoeslag wegens onvoldoende arbeidsinschakeling ondanks beperkingen
Appellant, die bijstand ontvangt naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering, verzocht om langdurigheidstoeslag over de jaren 2005 tot en met 2007. Het Dagelijks Bestuur wees deze aanvragen af omdat appellant onvoldoende had getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden gedurende de referteperiode. Tevens was eerder een maatregel opgelegd wegens onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakeling.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onbevoegdheid van de voorzitter maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het Dagelijks Bestuur het besluit bekrachtigde. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Raad overwoog dat het Dagelijks Bestuur beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van het criterium 'voldoende trachten arbeid te verkrijgen'. Het ontbreken van beleidsregels betekent niet dat het besluit onrechtmatig is, mits de motivering voldoende is.
De Raad stelde vast dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende medewerking te verlenen aan re-integratie, waardoor een arbeidsdeskundige geen gericht advies kon geven. Er was geen aannemelijk gemaakt volledig gebrek aan arbeidsmarktperspectief. Ook na oplegging van de maatregel bleef appellant weinig coöperatief. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de langdurigheidstoeslag en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de langdurigheidstoeslagaanvragen wegens onvoldoende arbeidsinschakeling.