ECLI:NL:CRVB:2010:BO1030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging werkgeversbijdrage levensloopregeling als loon voor WAO-uitkering
Appellant viel sinds 4 februari 2001 uit voor zijn werk en ontving een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Vanaf 1 januari 2008 verhoogde de werkgever de bijdrage aan de levensloopregeling, welke op een geblokkeerde rekening werd gestort. Het Uwv kwalificeerde deze bijdrage als loon uit dienstbetrekking en herberekende de WAO-uitkering, wat leidde tot terugvordering van teveel betaalde uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de werkgeversbijdrage terecht als loon werd aangemerkt, gebaseerd op relevante fiscale en sociale zekerheidswetten. Appellant stelde in hoger beroep dat het besluit en de uitspraak in strijd waren met wettelijke bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De Raad verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd bevestigd dat werkgeversbijdragen aan de levensloopregeling onmiskenbaar als inkomsten uit arbeid gelden volgens artikel 44 van Pro de WAO. Hoewel de situatie van appellant verschilde doordat de bijdrage direct op een geblokkeerde rekening werd gestort, achtte de Raad dit onvoldoende reden om de bijdrage niet als loon te kwalificeren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werkgeversbijdrage aan de levensloopregeling als loon uit arbeid moet worden beschouwd en wijst het hoger beroep af.