ECLI:NL:CRVB:2010:BN9963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vervroegde WAJONG-uitkering wegens late aanvraag
Appellant vroeg een WAJONG-uitkering aan die met terugwerkende kracht werd toegekend vanaf maximaal een jaar voor de aanvraagdatum. Het UWV wees een eerdere ingangsdatum af omdat de aanvraag te laat was en onbekendheid met de regeling geen bijzondere omstandigheid vormde.
De rechtbank oordeelde dat in de periode dat appellant minderjarig was, het redelijkerwijs van zijn pleegvader gevraagd kon worden de aanvraag te bevorderen. Na meerderjarigheid was appellant zelf verantwoordelijk. Onbekendheid met de regeling werd niet als bijzonder geval erkend.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat het UWV terecht geen bijzondere omstandigheden aannam en dat de gemeente geen verplichting had appellant te wijzen op de uitkeringsmogelijkheid.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Raad bevestigt het besluit dat de WAJONG-uitkering niet eerder dan een jaar voor de aanvraag ingaat wegens late aanvraag zonder bijzondere omstandigheden.