ECLI:NL:CRVB:2010:BN9648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij intrekking bijstand
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 2 juli 2004. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant werkzaamheden verrichtte als snorder, heeft het College een onderzoek ingesteld en de uitbetaling van de bijstand vanaf 1 mei 2007 geblokkeerd. Het College verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze blokkering op 4 september 2007 ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een procesbelang. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn belang lag in de uitbetaling van bijstand over de periode van 1 tot en met 22 mei 2007. De Raad bevestigt dat appellant ten tijde van de uitspraak geen belang meer had bij een inhoudelijk oordeel, mede omdat hij niet tijdig rechtsmiddelen had aangewend tegen het besluit van 7 september 2007, waarin de bijstand over de periode van 1 februari 2006 tot en met 22 mei 2007 werd ingetrokken en teruggevorderd.
De Raad concludeert dat het besluit tot intrekking van de bijstand in rechte vaststaat en dat appellant met het beroep tegen de blokkering vanaf 1 mei 2007 geen herstel van de uitbetaling kon bereiken. Daarom wordt de aangevallen uitspraak bevestigd en worden geen proceskosten aan appellant opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens ontbreken van procesbelang.