ECLI:NL:CRVB:2010:BN9572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W. van den Brink
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlaging bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij hennepkwekerij
Appellanten ontvingen sinds 2004 bijstand en werden verdacht van betrokkenheid bij een hennepkwekerij in hun schuur. De gemeente herzag en trok bijstand in over februari tot april 2006 en verlaagde de bijstand over mei en juni 2007 wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet verantwoordelijk waren voor de hennepkwekerij. De intrekking en terugvordering van bijstand over de periode februari-april 2006 is daarom terecht. Echter, de verlaging van 5% over juni 2007 wegens het niet melden van hun verblijf in Turkije is onterecht, omdat het College had moeten volstaan met een schriftelijke waarschuwing volgens de Maatregelenverordening.
De Raad vernietigt het besluit voor zover het de verlaging over juni 2007 betreft en beveelt een nieuw besluit. De overige onderdelen van de uitspraak worden bevestigd. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De Raad vernietigt de verlaging van de bijstand met 5% over juni 2007 en bevestigt het overige van het besluit.