ECLI:NL:CRVB:2010:BN7962

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4517 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen informatieve brief over wetswijziging Zorgverzekeringswet

Appellant maakte bezwaar tegen een brief van het College voor Zorgverzekeringen waarin werd geïnformeerd over een wetswijziging van de Zorgverzekeringswet per 1 augustus 2008. Deze brief bevatte uitsluitend informatieve mededelingen zonder rechtsgevolg. Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, omdat het geen rechtshandeling betreft. Het bezwaar tegen de brief was daarom terecht niet-ontvankelijk. De Raad benadrukt dat het enkele feit dat in bezwaar of beroep gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een algemeen verbindend voorschrift, niet betekent dat het bezwaar tegen dat voorschrift is gericht.

De Raad oordeelt dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam correct is en bevestigt deze. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 september 2010.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de informatieve brief is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond.

Uitspraak

09/4517 ZFW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2009, 08/4420 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
appellant
en
het College voor Zorgverzekeringen, gevestigd te Diemen (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 4 augustus 2010, waar partijen - het College met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Het College heeft appellant bij brief van 31 juli 2008 geïnformeerd over de gevolgen van een wijziging van de Zorgverzekeringswet per 1 augustus 2008. Deze wijziging houdt in dat het College het enige orgaan is dat bevoegd is om besluiten te nemen over de inhouding van de door verdragsgerechtigden verschuldigde bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet op hun uitkeringen ingevolge onder meer de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Reeds genomen beslissingen op bezwaar over die inhoudingen, genomen door de Sociale verzekeringsbank en het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen, gelden als besluiten van het College. Daartegen lopende beroepsprocedures worden door het College overgenomen. De wetswijziging werkt terug tot 1 januari 2006. In de brief is er met nadruk op gewezen dat deze uitsluitend bedoeld is om informatie te geven en dat het niet mogelijk is om daartegen bezwaar en beroep aan te tekenen.
1.2. Appellant heeft tegen de brief van 31 juli 2008 bezwaar gemaakt.
1.3. Het College heeft het bezwaar van appellant tegen de brief van 31 juli 2008 bij besluit van 8 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard.
1.4. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 8 oktober 2008 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:
“Eiser heeft bezwaar en beroep aangetekend tegen een wetswijziging. Een wetswijziging is geen besluit in de zin van de Awb aangezien de wetgever geen bestuursorgaan is. Voorts is de brief van 31 juli 2008 niet gericht op rechtsgevolg. De brief van 31 juli 2008 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstond.”
1.5. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
1.6. Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 8 oktober 2008 neergelegde standpunt.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3. Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:
“Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.”
4. De Raad is van oordeel dat in de brief van 31 juli 2008 uitsluitend mededelingen van informatieve aard zijn opgenomen. Aan die mededelingen is geen enkel rechtsgevolg verbonden. Dit betekent dat die brief niet kan worden gekwalificeerd als een rechtshandeling, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent voorts dat het College het bezwaar tegen die brief in het besluit op bezwaar van 8 oktober 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit terecht ongegrond heeft verklaard.
5. Daaraan doet de kennelijk onjuiste vaststelling in de aangevallen uitspraak dat appellant bezwaar en beroep heeft aangetekend tegen een door de wetgever vastgestelde wetswijziging niet af. De Raad stelt op grond van de stukken vast dat het bezwaar van appellant gericht was tegen de brief van het College van 31 juli 2008 en zijn beroep tegen de beslissing op bezwaar van het College van 8 oktober 2008. Dat in de brief van 31 juli 2008 melding is gemaakt van een wetswijziging en dat appellant het met de inhoud van die wijziging wellicht niet eens is, betekent niet dat zijn bezwaar gericht was tegen die wetswijziging. De enkele omstandigheid dat in bezwaar en/of beroep tegen een besluit gronden worden aangevoerd die gericht zijn tegen een algemeen verbindend voorschrift betekent niet dat het bezwaar of beroep tegen dat voorschrift is gericht. Op een algemeen verbindend voorschrift betrekking hebbende - bij wege van voorvraag - aangevoerde gronden dienen, bij de beoordeling van de gegrondheid van het bezwaar of beroep, voor zover daarvoor van belang, betrokken te worden. Het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, inhoudende dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, staat daaraan niet in de weg.
6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) J. de Jong.
JvS