ECLI:NL:CRVB:2010:BN7877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WAJONG-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid per 17 september 2005
Appellant heeft op 18 september 2004 een brommerongeluk gehad, waarna hij klachten ontwikkelde zoals pijn in het linkerbeen, hoofdpijn en concentratieproblemen. Hij volgde destijds een ROC-opleiding tot winkelassistent. Op 7 november 2006 vroeg hij een WAJONG-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per 17 september 2005 toe te kennen omdat appellant toen geen verlies aan verdiencapaciteit had; hij kon functies vervullen waarmee hij het minimumloon verdiende.
Appellant stelde in hoger beroep dat het begrip “zijn arbeid” in artikel 19 van Pro de WAJONG moet worden uitgelegd aan de hand van zijn opleiding en het beroepsperspectief dat hij door het ongeluk niet kon afronden. Volgens hem kon hij de functies die het UWV had geselecteerd niet meer vervullen en zou hij nooit meer kunnen verdienen wat een gezonde persoon zou kunnen verdienen.
De Raad oordeelde echter dat de functies die het UWV had geselecteerd terecht als “zijn arbeid” zijn aangemerkt, omdat appellant op 17 september 2005 geen verlies aan verdiencapaciteit had. De Raad vond geen aanknopingspunten in de wet of wetsgeschiedenis om het standpunt van appellant te volgen. Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 17 september 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAJONG-uitkering omdat appellant op 17 september 2005 niet arbeidsongeschikt was.