AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging geen recht op Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen arbeid
Appellant, werkzaam als agrarisch medewerker/tomatenplukker, meldde zich ziek wegens klachten aan arm, schouder en nek en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na medisch onderzoek dat appellant vanaf 21 februari 2008 geschikt was voor zijn eigen arbeid en beëindigde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de klachten geen aanleiding gaven het oordeel van het UWV te betwijfelen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten nog steeds ernstig waren en dat er onvoldoende onderzoek was gedaan naar onder meer hoofdpijn en liesbreuk.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De medische rapportages waren overtuigend en onderbouwd, er waren geen functionele beperkingen vastgesteld die het verrichten van zijn arbeid onmogelijk maakten. Zonder nieuwe medische gegevens zag de Raad geen reden het besluit te wijzigen en bevestigde het dat appellant vanaf 21 februari 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering vanaf 21 februari 2008.
Uitspraak
09/187 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2008, 08/1833 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Namens appellant is mr. Kuit verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die werkzaam was als agrarisch medewerker/tomatenplukker via een uitzendbureau, heeft zich op 28 november 2007 ziek gemeld wegens (rechter)arm-, schouder-, en nekklachten. Vervolgens is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Appellant is een aantal keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts A. de Cler. Op het spreekuur van 20 februari 2008 heeft deze verzekeringsarts, na eigen onderzoek en met verkregen informatie van de huisarts, appellant per 21 februari 2008 geschikt geacht voor zijn eigen werk. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van
21 februari 2008 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld.
1.3. Bij besluit van 20 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 februari 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer van 20 maart 2008, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hun conclusies hebben onderbouwd alsmede gelet op de gedingstukken, uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit onderzoek zorgvuldig is geweest, waarbij acht is geslagen op de door appellant aangevoerde aspecten. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd ten aanzien van zijn lichamelijke klachten gaf naar het oordeel van de rechtbank geen reden de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Volgens de rechtbank kon niet worden gezegd dat het Uwv de gezondheidsklachten van appellant onvoldoende heeft onderkend. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 21 februari 2008 niet (meer) ongeschikt was voor zijn eigen arbeid en dat hij daarom vanaf die datum geen recht (meer) had op ziekengeld.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij last heeft van maagklachten, alsmede klachten aan de schouder en nek en dat hij nog steeds de rapportage van zijn huisarts betwist, omdat die naar zijn mening ten onrechte de klachten relativeert. Voorts is hij van mening dat ten onrechte geen enkel gericht onderzoek is gedaan naar zijn hoofdpijnklachten en duizeligheid en dat er in verband met zijn liesbreuk beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Op de datum in geding waren de klachten volgens appellant nog van dien aard dat het verrichten van zijn eigen functie niet mogelijk was.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 19 vanPro de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als agrarisch medewerker/tomatenplukker en hij zich vanuit die situatie heeft ziek gemeld, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.
4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van de gronden die hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de huisarts heeft de verzekeringsarts aangegeven dat is gebleken dat er geen functionele beperkingen voor het nek- en schoudergewricht van appellant zijn, dat er geen aanwijzingen zijn voor een liesbreuk rechts en dat het onderzoek van de buik evenmin aanknopingspunten oplevert voor pathologie. De verzekeringsarts heeft appellant derhalve geschikt geacht voor zijn arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie, verkregen inlichtingen tijdens de hoorzitting en eigen onderzoek aangegeven dat de goede nek- en schouderfunctie niet alleen uit eigen onderzoek van de verzekeringsarts bleek, maar ook uit de verkregen gegevens van de huisarts. Met betrekking tot de maag- en darmklachten, hoofdpijn en duizeligheid bleken geen afwijkingen te objectiveren, waarbij ook het door de behandelend sector gevoerde beleid niet wees op de aanwezigheid van werkelijk beperkende pathologie. Ten aanzien van de recidief liesbreuk bleek bij onderzoek dat ook hiervoor geen aanwijzingen aanwezig waren en ook op grond van deze problematiek geen beperkingen te duiden waren. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 21 februari 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Nu appellant zijn in hoger beroep herhaalde standpunt, dat zijn klachten van dien aard zijn dat hij niet in staat is zijn arbeid te verrichten, niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010.