ECLI:NL:CRVB:2010:BN3905

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7376 WWB + 08-7378 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor legeskosten verlenging verblijfsvergunningen

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellanten tegen de uitspraak van de rechtbank Assen, waarin hun verzoek om bijzondere bijstand voor legeskosten is afgewezen. Appellanten, een gezin dat bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor de legeskosten van het verlengen van de verblijfsvergunningen van hun vijf kinderen, hebben in eerste instantie een afwijzing ontvangen van het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst. De rechtbank heeft het beroep tegen deze afwijzing ongegrond verklaard, waarna appellanten in hoger beroep zijn gegaan.

De Centrale Raad van Beroep heeft op 3 augustus 2010 uitspraak gedaan. De Raad oordeelt dat appellanten geen recht hebben op bijzondere bijstand voor de legeskosten, omdat deze kosten voortvloeien uit de situatie van meerderjarige kinderen, die volgens de Wet werk en bijstand (WWB) niet tot het gezin van appellanten behoren. De Raad stelt vast dat legeskosten tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan behoren, die in beginsel uit de bijstandsnorm moeten worden voldaan. Bijzondere bijstandsverlening is alleen mogelijk in geval van bijzondere omstandigheden, wat in dit geval niet is aangetoond.

De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de door appellanten aangevoerde omstandigheden niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt. De omstandigheid dat appellanten geld hebben moeten lenen om de legeskosten te voldoen, is niet voldoende om recht op bijzondere bijstand te rechtvaardigen. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de aangevallen uitspraak, zonder veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

08/7376 WWB
08/7378 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna ook: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 november 2008, 07/898 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: Dagelijks Bestuur)
Datum uitspraak: 3 augustus 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg. nrs. 08/7360, 08/7362, 08/7370 en 08/7371, plaatsgevonden op 22 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn dochter en mr. Brouwer. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.B.S.J. Ketel, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo. Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 11 juni 2007 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de legeskosten verbonden aan het verlengen van de verblijfsvergunningen van zijn vijf kinderen tot een bedrag van in totaal € 804,--. Op deze aanvraag heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 25 juni 2007 afwijzend beslist. Bij besluit van 24 september 2007 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 september 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.
4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad behoren legeskosten tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellanten voor de legeskosten voor het verlengen van de verblijfsvergunning van hun drie meerderjarige kinderen geen bijzondere bijstand kunnen krijgen, omdat die kinderen vanuit oogpunt van toepassing van de WWB niet tot het gezin van appellanten behoren. Gelet op het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder c, d en e, van de WWB kunnen voor de toepassing van de WWB immers alleen minderjarige kinderen deel uitmaken van het gezin van appellanten. Deze kosten hebben derhalve betrekking op de meerderjarige kinderen van appellanten en moeten aan hen worden toegerekend, zodat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van appellanten. De omstandigheid dat, zoals appellanten hebben aangevoerd, deze kinderen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 wel als gezinsleden worden aangemerkt, kan voor de beoordeling van de aanspraken ingevolge de WWB niet bepalend zijn. Het gegeven dat de meerderjarige kinderen bij appellanten inwonen en dat appellanten zich moreel verplicht voelen om ook de legeskosten voor deze kinderen voor hun rekening te nemen, kan aan vorenstaande niet afdoen.
4.4. Ten aanzien van de legeskosten voor het verlengen van de verblijfsvergunning van de twee minderjarige kinderen van appellanten is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de door appellanten aangevoerde omstandigheden niet aangemerkt kunnen worden als bijzondere omstandigheden als onder 4.2 bedoeld. Dat appellanten geld hebben moeten lenen van vrienden en kennissen om deze kosten te kunnen voldoen en zij dit bedrag moeten terugbetalen, kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. De omstandigheid dat, naar appellanten stellen, ten onrechte een bedrag van in totaal € 805,-- aan legeskosten in rekening is gebracht, terwijl het juiste bedrag niet meer dan € 260,-- was, en dat er geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de aanzegging tot legesbetaling, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2010.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) C. de Blaeij.
AV