ECLI:NL:CRVB:2010:BN3818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering wegens loondoorbetalingsverplichting tijdens zeereis
Appellante, een uitzendbureau gespecialiseerd in zeevaartpersoneel, had een arbeidsovereenkomst bij de reis gesloten met een werknemer voor de periode van circa 26 juni tot 26 juli 2007. Toen de werknemer op 28 juni 2007 ziek van boord ging, meldde appellante dit bij het UWV met het verzoek om een Ziektewetuitkering. Het UWV wees dit af omdat de werkgever tijdens ziekte verplicht is loon door te betalen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet tussentijds was beëindigd door het ziek worden van de werknemer, maar liep tot het einde van de reis. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het UWV in de regel ziekengeld betaalde aan het einde van de reis, niet tussentijds.
In hoger beroep handhaafde de Raad deze beoordeling. Appellante werd niet erkend als zeewerkgever in de zin van het Wetboek van Koophandel, waardoor het speciale regime niet van toepassing was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing en afwijkende contractvormen in eerdere gevallen. De Raad bevestigde dat de arbeidsovereenkomst actief beëindigd moet worden en dat dit niet was gebeurd.
De Raad stelde vast dat de rechtbank niet verplicht was op alle beroepsgronden in te gaan en bevestigde het bestreden besluit zonder proceskostenveroordeling. De arbeidsovereenkomst bleef van kracht voor de duur van de reis, waardoor loondoorbetaling tijdens ziekte verplicht was en Ziektewetuitkering niet toekwam.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Ziektewetuitkering bevestigd.