ECLI:NL:CRVB:2010:BN2304

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3564 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding reis- en verblijfkosten wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, verzocht om vergoeding van reis- en verblijfkosten voor reizen naar Europa. Hij gaf aan zich psychisch beter te voelen in Indonesië, maar een sterke verbondenheid met Europa te ervaren en jaarlijks meerdere reizen te willen maken.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat de gevraagde voorziening niet bekend is binnen de Wet en geen medische noodzaak bestaat. De Raad baseerde zich op het advies van de medisch adviseur en constateerde dat appellant niet onder psychiatrische behandeling was en dat er geen objectieve medische gegevens de noodzaak ondersteunen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze afwijzing en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Raad erop dat appellant een tegemoetkoming ontvangt voor deelname aan het maatschappelijk verkeer die voor reizen kan worden gebruikt.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van medische noodzaak voor vergoeding van reis- en verblijfkosten.

Uitspraak

09/3564 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Indonesië (hierna appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 mei 2009, kenmerk BZ 48301, JZ/S70/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2010. Appellant is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M.Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Omdat appellant na de zitting heeft aangegeven de oproep voor de zitting niet tijdig te hebben ontvangen is het beroep opnieuw behandeld ter zitting van 20 mei 2010. Appellant is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, is vervolgde en als zodanig vanaf 1 mei 1980 uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat zijn psychische klachten in verband staan met de vervolging.
1.2. In oktober 2008 heeft appellant een aanvraag ingediend voor vergoeding van reis- en verblijfkosten voor reizen naar Europa. Hierbij heeft hij aangegeven dat hij de keuze heeft gemaakt om in Indonesië te gaan wonen omdat hij zich daar psychisch beter voelt en minder last heeft van zijn oorlogservaringen, maar dat hij zich nog steeds zeer verbonden voelt met Europa. Hij heeft de drang om elk jaar (meermalen) naar Europa te gaan.
1.3. Bij besluit van 16 december 2008 heeft verweerster afwijzend beslist op deze aanvraag. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het in dit geding bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. In beroep heeft appellant in hoofdzaak aangevoerd dat hij traumatische ervaringen heeft gehad in de Bersiap-periode en dat het Aziatische en Europese culturele leven onverenigbaar zijn. Om die reden vindt hij het belangrijk om regelmatig naar Europese steden als Wenen, Salzburg, Bregenz en Berlijn te reizen om van muziekuitvoeringen te genieten.
3. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat de door appellant verzochte voorziening niet kan worden verleend, omdat voor deze voorziening geen medische noodzaak bestaat op grond van de uit de vervolging voorvloeiende klachten van appellant. De gevraagde voorziening is een voorziening die verweerster niet kent op grond van de Wet. Er is wel een voorziening voor therapeutische reizen, maar daaraan zijn strikte voorwaarden verbonden waaraan in het geval van appellant niet wordt voldaan.
4. De Raad acht het standpunt van verweerster, gebaseerd op het advies van haar medisch adviseur, dat er geen enkel medisch verband bestaat tussen de psychische klachten van appellant en de gevraagde voorziening, voldoende gemotiveerd. Er zijn geen objectieve medische gegevens op grond waarvan de medische noodzaak van de gevraagde voorziening blijkt. Ten tijde van de aanvraag was appellant ook niet onder psychiatrische behandeling. Overigens ontvangt appellant naast zijn periodieke uitkering ook een tegemoetkoming voor deelname aan het maatschappelijk verkeer, die aangewend kan worden voor zijn reizen.
5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet het beroep van appellant ongegrond worden verklaard.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD