ECLI:NL:CRVB:2010:BN1955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht werknemers bij privaatrechtelijke dienstbetrekking in prostitutiebedrijf
Appellante, een eenmanszaak actief in de horeca, werd door het UWV gecorrigeerd met betrekking tot de werknemersverzekeringen over de jaren 2003 tot en met 2005 en kreeg een boetenota opgelegd voor 2003. Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar tegen de correctienota's deels gegrond en het bezwaar tegen de boetenota ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellante deze uitspraak, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en de prostituees. Dit bleek uit de bedrijfsvoering, waarbij appellante onder meer huisregels opstelde, prijzen vaststelde, toezicht hield en de vergunning op haar naam stond. De prostituees waren gebonden aan werktijden en konden zich niet zonder overleg laten vervangen.
Verder verwierp de Raad het verweer dat het UWV zich niet mocht baseren op het rapport van de Belastingdienst van november 2007, ondanks dat de Belastingdienst in een andere procedure tegemoet was gekomen aan bezwaar van appellante. De Raad stelde vast dat het UWV terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht, en wijst het hoger beroep van appellante af.