AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Heropening en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure over een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De procedure duurde ruim zeven jaar en acht maanden, waarbij de Raad constateerde dat de redelijke termijn zowel in de bestuurs- als rechterlijke fase was overschreden.
De Staat erkende de overschrijding in de rechterlijke fase en stelde een vergoeding van € 2.000 redelijk, zonder bijzondere omstandigheden voor verhoging of verlaging. Het UWV stelde dat slechts een deel van de vertraging aan haar toe te rekenen was en dat een vergoeding van € 1.500 passend was, omdat de vertraging deels werd veroorzaakt door de Belastingdienst.
De betrokkene voerde aan dat het proces gekenmerkt werd door vooringenomen handelen en voortdurende tegenwerking, wat zwaarwegende redenen gaf voor een hogere vergoeding. De Raad oordeelde echter dat de overschrijding van ruim drie jaar niet gerechtvaardigd was en dat de vertraging door de Belastingdienst aan het UWV toegerekend moest worden.
De Raad stelde de totale schadevergoeding vast op € 4.000, verdeeld in € 2.000 voor de Staat en € 2.000 voor het UWV. De betrokkene werd geacht voldoende compensatie te ontvangen, gezien de gebruikelijke spanning en frustratie bij dergelijke langdurige procedures. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Staat der Nederlanden en het UWV worden elk veroordeeld tot betaling van € 2.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
09/6377 BESLU
09/6378 BESLU
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het verzoek om schadevergoeding van:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
met als partijen:
betrokkene
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2008, 05/297, in het geding tussen betrokkene en het Uwv.
Bij uitspraak van 25 november 2009 (LJN BK5236) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft mr. J.J. Graanstra, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Ook van de zijde van het Uwv is een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2010. Betrokkene is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Bosma. De Staat heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De uitspraak van de Raad van 25 november 2009 betrof een procedure tussen betrokkene en het Uwv, die betrekking had op een zelfstandig schadebesluit naar aanleiding van een door (een rechtsvoorganger van) het Uwv genomen onrechtmatig besluit inzake betrokkenes aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De procedure had ten tijde van de uitspraak van de Raad van 25 november 2009 zeven jaar en acht maanden geduurd en de Raad heeft vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend.
1.2. Namens de Staat is - kort weergegeven - uiteengezet dat wordt onderschreven dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 2.000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald. De Staat heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de aard van de zaak niet kan worden aangemerkt als bijzonder zwaarwegend, zodat om die reden geen reden is tot verhoging of verlaging van het basisbedrag.
1.3. Namens het Uwv is het standpunt ingenomen en ter zitting van de Raad nader toegelicht dat de overschrijding van de redelijke termijn slechts voor een gering deel aan het Uwv is te wijten. Bij de afhandeling van het bezwaar is sprake geweest van een onvermijdelijke vertraging, die niet (geheel) voor rekening van het Uwv mag komen. Het Uwv kon namelijk geen definitief besluit op het bezwaar van betrokkene nemen zolang de Belastingdienst nog geen besluit had genomen op een verzoek van betrokkene om toepassing van de (nieuwe) uitsmeerregeling van 5 december 2002. Om deze reden dient de redelijke termijn verlengd te worden met een periode van elf maanden en dienen elf maanden in mindering te worden gebracht op de duur van de bezwaarprocedure, hetgeen dan voor die procedure een overschrijdingsduur oplevert van een jaar en vier maanden. De door het Uwv te betalen vergoeding bedraagt daarom € 1.500,- .
1.4. Betrokkene heeft in reactie op de standpunten van de Staat en het Uwv aangevoerd - kort weergegeven - dat de gehele procedure een aaneenschakeling is geweest van vooringenomen handelen en voortdurende tegenwerking door het Uwv. In dat verband heeft hij erop gewezen dat hem veel leed is overkomen. Er is naar zijn mening een duidelijk verband tussen de wijze en de duur van het procesvoeren en het hem overkomen leed, zodat er zwaarwegende redenen zijn tot verhoging van het basisbedrag van € 500,- per half jaar. Het standpunt van de Belastingdienst was van meet af aan duidelijk en het Uwv heeft hem verzocht de nieuwe uitsmeerregeling af te wachten en niet andersom.
2. De Raad overweegt het volgende.
2.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
2.2. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 26 januari 2009 (LJN BH1009) en van 4 mei 2010 (LJN BM4034). Voor dit geding betekent dit het volgende. De behandeling van het geding is begonnen met het indienen van het bezwaarschrift van 2 maart 2002 en geëindigd met de uitspraak van de Raad op 25 november 2009 en heeft zeven jaar en ruim acht maanden geduurd. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van het Uwv is aangevoerd geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan voor de zaak in haar geheel een langere behandelingsduur dan vier jaar gerechtvaardigd zou zijn. De redelijke termijn is derhalve met drie jaar en ruim acht maanden overschreden.
2.3. Dit leidt, bij een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, tot een schadevergoeding van € 4000,- . De Raad ziet geen aanleiding van een hoger bedrag per half jaar overschrijding uit te gaan, zoals door betrokkene is gevraagd. Daarbij neemt hij in aanmerking dat het optreden van spanning en frustratie als gevolg van de (te) lange duur van de procedure worden voorondersteld en als gegeven zijn meegewogen bij het vaststellen van het schadevergoedingsbedrag van in beginsel € 500,- per half jaar. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat in dit geval sprake is van (veel) meer dan de gebruikelijke spanning en frustratie vanwege de lange duur van de procedure.
2.4. De Raad deelt voorts niet het standpunt van het Uwv, dat aanleiding bestaat om voor de bezwarenprocedure een langere behandelingsduur dan in 2.2 weergegeven, gerechtvaardigd te achten omdat de lange duur van die procedure voor een deel is toe te schrijven aan de tijd die de Belastingdienst nodig had voor de afhandeling van het verzoek van betrokkene om in aanmerking te komen voor de uitsmeerregeling. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 24 juni 2009, LJN BJ1292, kan van degene die geleden belastingschade vordert redelijkerwijs worden verlangd dat hij de Belastingdienst verzoekt om gebruik te mogen maken van middeling en/of de uitsmeerregeling teneinde de schade zoveel mogelijk te beperken. Betrokkene heeft zo spoedig als voor hem mogelijk was een dergelijk verzoek gedaan en hij heeft daarmee bereikt dat zijn fiscale schade is verminderd en dus ook het bedrag aan schadevergoeding dat het Uwv aan hem moest betalen. Onder deze omstandigheden dient de in de bezwarenprocedure opgetreden vertraging ten gevolge van de afhandeling van het verzoek door de fiscus toegerekend te worden aan het Uwv.
2.5. De behandeling door de rechtbank en Raad tezamen heeft in de eerste rechterlijke fase bijna drie jaar en in de tweede rechterlijke fase één jaar en ruim negen maanden geduurd waarmee de rechter de hem toekomende behandelingsduur van drie en een half jaar heeft overschreden met een jaar en bijna zes maanden in de eerste fase. Gezien deze overschrijding is de door de Staat toegekende schadevergoeding van € 2.000,- niet te laag. De resterende € 2.000,- komt ten laste van het Uwv. De Raad zal het Uwv en de Staat tot vergoeding van deze bedragen veroordelen.
3. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,-;
Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.