ECLI:NL:CRVB:2010:BN0637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten, voormalig gehuwd en met een gezamenlijke zoon, ontvingen bijstand op grond van de WWB. Het College stelde na anonieme meldingen en onderzoek vast dat zij al vanaf 15 augustus 2002 een gezamenlijke huishouding voerden, ondanks afzonderlijke inschrijvingen in de GBA. Op basis hiervan werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad achtte de verklaringen van appellanten en getuigen, alsmede andere bewijsmiddelen, voldoende om te concluderen dat sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning en gezamenlijke huishouding.
De Raad verwierp grieven over de afwezigheid van een huisbezoek en de taalvaardigheid van appellant. Ook de stelling dat appellant een aparte slaapkamer behield, werd niet ondersteund door getuigenverklaringen. Het feit dat appellant soms elders verbleef en andere relaties had, stond niet aan de conclusie van samenwonen in de weg.
De Raad bevestigde daarmee de intrekking en terugvordering van bijstand en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat de intrekking en terugvordering van bijstand terecht was.