ECLI:NL:CRVB:2010:BM9288

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7070 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstand over periode wegens ontbreken procesbelang

Appellant verzocht bijstand met ingang van 1 december 2003. Het College kende bijstand toe vanaf 14 januari 2004, nadat appellant bij bezwaar was afgewezen voor de eerdere periode vanwege schending van de inlichtingenverplichting.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk omdat de Raad reeds over deze periode had geoordeeld. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.

De Raad overweegt dat het procesbelang ontbreekt omdat het resultaat dat appellant nastreeft, namelijk bijstand over de periode 1 december 2003 tot 14 januari 2004, reeds is beoordeeld en afgewezen. Daarom bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding tot toewijzing of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen procesbelang meer heeft bij inhoudelijke beoordeling van zijn beroep over de periode 1 december 2003 tot 14 januari 2004.

Uitspraak

08/7070 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 oktober 2008, 06/10213 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010. Appellant is verschenen.
Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter en I.M. Groen, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft bijstand aangevraagd met ingang van 1 december 2003. Aan appellant is bij besluit op bezwaar van 3 januari 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend met ingang van 14 januari 2004 naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 31 oktober 2006 (LJN AZ1821) geoordeeld dat appellant over de periode van 1 december 2003 tot 14 januari 2004 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld, zodat het College de aanvraag over deze periode terecht heeft afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de besluiten van 12 december 2005 en 10 april 2006, waarin het College heeft beslist dat de ingangsdatum van de bijstand niet vóór 14 januari 2004 kon liggen, niet ontvankelijk verklaard op de grond dat de Raad over deze periode al heeft geoordeeld.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Appellant wenst met zijn hoger beroep te bereiken dat wordt vastgesteld dat hij recht op bijstand heeft over de periode van 1 december 2003 tot 14 januari 2004.
4.2. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
4.3. De Raad stelt vast dat hij in zijn uitspraak van 31 oktober 2006 reeds heeft geoordeeld over de aanspraak van appellant op bijstand over de periode van 1 december 2003 tot 14 januari 2004. Dat oordeel luidt dat het recht op bijstand over genoemde periode als gevolg van schending van de op appellant rustende inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Dit brengt mee dat appellant thans geen procesbelang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4.4. Uit het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) R.L.G. Boot.
IJ