ECLI:NL:CRVB:2010:BM9101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks sociale fobie en beperkingen
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering door het UWV, waarbij haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 35 en 45 procent. Zij stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met haar sociale fobie en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Het UWV baseerde haar oordeel op een uitgebreid medisch dossier, inclusief rapporten van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn en een arbeidsdeskundige.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige zorgvuldig was en in overeenstemming met het Schattingsbesluit. In hoger beroep voerde appellante opnieuw aan dat het onderzoek onvoldoende was en dat haar beperkingen niet adequaat waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. Ook de door appellante overgelegde psychiatrisch-psychologische expertises gaven geen aanleiding tot twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd.