ECLI:NL:CRVB:2010:BM8067

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5223 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WAZArt. 61 WAZArt. 63 lid 4 WAZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAZ-uitkering na overlijden uitkeringsgerechtigde

De zaak betreft de terugvordering door het UWV van WAZ-uitkeringen die na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde, de moeder van appellant, onverschuldigd zijn doorbetaald. De uitkering werd doorbetaald van 5 juli 2002 tot 1 maart 2004, zonder dat het UWV van het overlijden op de hoogte was.

Appellant, als enig erfgenaam, werd geconfronteerd met de terugvordering van €24.698,87. Hij voerde aan dat hij niet over het bedrag beschikte, dat er geen moederbesluit was en dat het vakantiegeld na de terugvorderingsperiode niet had mogen worden meegenomen. Tevens stelde hij dat het UWV pas laat van het overlijden wist en dat hij wegens financiële omstandigheden niet kon terugbetalen.

De rechtbank wees het beroep af en stelde dat het UWV terecht terugvordering toepaste, ook op het vakantiegeld, en dat verjaring en dringende redenen niet van toepassing waren. De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij deze overwegingen, bevestigde dat er vanaf de dag na overlijden geen recht meer bestaat op WAZ-uitkering, dat een moederbesluit niet vereist is, en dat het invorderingstraject de juiste weg is voor beoordeling van financiële omstandigheden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAZ-uitkeringen na overlijden en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

09/5223 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de erfgenaam van wijlen [betrokkene], [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juli 2009, 08/4203 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.M. van Gool, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.
II. OVERWEGINGEN
[betrokkene], de moeder van appellant, ontving van het Uwv een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAZ). Op 4 juli 2002 is [appellant] overleden. Dit overlijden is niet gemeld bij het Uwv. De WAZ-uitkering is door het Uwv doorbetaald tot 1 maart 2004.
1.2. Op 8 juni 2006 is door een fraude-inspecteur, werkzaam bij het Uwv, kantoor Breda, een onderzoeksrapport opgesteld. Geadviseerd wordt, voor zover voor dit geding van belang, de onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering van appellant terug te vorderen.
1.3. Bij brief van 22 februari 2008 heeft het Uwv aan appellant te kennen gegeven het in verband met het overlijden van zijn moeder over de periode van 5 juli 2002 tot 1 maart 2004 ten onrechte door hem ontvangen bedrag aan WAZ-uitkering terug te vorderen.
1.4. Bij besluit van 22 februari 2008 heeft het Uwv de over de periode van 5 juli 2002 tot 1 maart 2004 onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering, te weten een bedrag van € 24.698,87, van appellant teruggevorderd.
1.5. Bij besluit van 16 juli 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 februari 2008 ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.2. Daartoe heeft de rechtbank, verwijzend naar de artikelen 7, eerste lid, en 61 van de WAZ en de uitspraak van de Raad van 9 juli 2004, LJN AQ1027, overwogen dat uit de systematiek van de wet en de wetsgeschiedenis voortvloeit dat er op de dag na het overlijden van de betrokkene geen recht meer bestaat op WAZ-uitkering. Met ingang van 5 juli 2002 had [appellant] dan ook geen recht meer op een WAZ-uitkering. De nadien als WAZ-uitkering betaalde termijnen mogen niet op grond van de enkele omstandigheid dat de onverschuldigde betaling een gevolg is van het overlijden van de betrokken uitkeringsgerechtigde niet als uitkering worden aangemerkt, gelet op de uitspraak van de Raad van 21 november 1986, LJN AK7405. Het Uwv was in beginsel gehouden de aldus over de periode van 5 juli 2002 tot 1 maart 2004 onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering terug te vorderen.
2.3. Vervolgens heeft de rechtbank de door appellant ingediende grond dat het Uwv ten onrechte het in het bestreden besluit genoemde bedrag van hem terugvorderde, omdat hij daarover nooit de beschikking heeft gehad en hij niet eens wist dat de WAZ-uitkering na het overlijden van zijn moeder werd doorbetaald, verworpen. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant enig erfgenaam is en de nalatenschap van zijn moeder heeft aanvaard, zodat van hem kan worden teruggevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de beoordeling van deze terugvordering daarbij appellants verklaring over de rol van zijn oom bij de financiële afwikkeling van de dood van zijn ouders, wat daar ook van zij, niet relevant.
2.4. Voorts heeft de rechtbank het beroep op verjaring van de terugvordering en het beroep op dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien, niet gehonoreerd.
3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder in bezwaar en beroep ingediende gronden herhaald. Benadrukt is dat er aan de terugvordering geen “moederbesluit” ten grondslag ligt. Appellant betwist de onverschuldigd betaalde gelden te hebben genoten. Voorts heeft het hem verbaasd dat het Uwv kennelijk eerst in maart 2004 bericht heeft ontvangen over het overlijden van de moeder van appellant. Ter zitting van de Raad heeft appellant de hoogte van het teruggevorderde bedrag bestreden, nu daarin ook het eerst op 7 mei 2004 - dus na 1 maart 2004 - betaalde vakantiegeld is begrepen. Ten slotte is herhaald dat appellant over onvoldoende financiële middelen beschikt om het teruggevorderde bedrag te voldoen.
3.2. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat de onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering terecht van appellant als enig erfgenaam wordt teruggevorderd.
4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en sluit zich aan bij de daartoe door haar gebezigde en - hiervoor in 2.2 tot en met 2.4 samengevat - weergegeven overwegingen.
4.2. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting aan de orde is gesteld voegt de Raad hieraan nog, onder verwijzing naar het overwogene onder 2.2, het volgende toe. Vanaf 5 juli 2002 bestond geen aanspraak meer op verdere betaling van WAZ-uitkering. Een “moederbesluit” is in deze situatie niet vereist. Ook het in verband met de meergenoemde periode staande vakantiegeld is onverschuldigd betaald en komt voor terugvordering in aanmerking.
4.3. Voor zover met de stelling dat het Uwv kennelijk eerst in maart 2004 een signaal over het overlijden van de moeder van appellant heeft ontvangen, is bedoeld een beroep te doen op het bestaan van dringende redenen als bedoeld in artikel 63, vierde lid, van de WAZ, overweegt de Raad dat dit, wat daar verder van zij, niet de gevolgen van de terugvordering betreft. De verder door appellant in dit verband met het oog op dringende redenen ter onderbouwing van zijn financieel onvermogen naar gebrachte feiten en omstandigheden dienen door het Uwv op hun merites te worden beoordeeld in het zogeheten invorderingstraject, zoals ook door de rechtbank is overwogen.
5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2010.