ECLI:NL:CRVB:2010:BM7612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het College stelde dat zij in bepaalde perioden geen zelfstandig recht had op bijstand omdat zij met haar echtgenoot een gezamenlijke huishouding voerde. Na onderzoek en diverse besluiten werd de bijstand over de periodes 13 april 2000 tot 19 juni 2001 (periode I) en 19 juni 2001 tot 1 juni 2006 (periode II) ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank vernietigde het besluit voor een deel en gaf het College opdracht een nieuw besluit te nemen. In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante in periode I duurzaam gescheiden leefde en het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onjuiste informatie gaf. Daarom wordt het besluit over periode I vernietigd. Voor periode II oordeelt de Raad dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor appellante ten onrechte bijstand ontving en het College bevoegd was deze in te trekken en terug te vorderen.
Het besluit van 29 april 2009 wordt vernietigd voor zover het betrekking heeft op periode I, maar bevestigd voor periode II. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 mei 2010.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over periode I wordt vernietigd, over periode II bevestigd.