ECLI:NL:CRVB:2010:BM7231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende arbeid
Appellante, voorheen werkzaam als etikettenstikster, ontving sinds 3 maart 2004 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Deze uitkering werd per 7 juni 2006 ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor passende functies. Na een ziekmelding op 1 november 2006 en medisch onderzoek werd zij op 26 april 2007 hersteld verklaard. Het Uwv trok op 8 mei 2007 de Ziektewetuitkering in omdat appellante niet langer ongeschikt werd geacht voor haar arbeid.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar na medisch onderzoek en beoordeling van aanvullende medische informatie werd het bezwaar ongegrond verklaard. In beroep werden nieuwe medische brieven ingebracht, waarop het Uwv reageerde, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen waren onderschat en dat een deskundige had moeten worden ingeschakeld. De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde geschikt is voor andere gangbare functies volgens de WAO-beoordeling.
De Raad concludeerde dat appellante op en na 7 mei 2007 geschikt was voor ten minste een van deze functies. Het medisch onderzoek was zorgvuldig, de informatie van behandelaars was betrokken en er was geen aanleiding een deskundige in te schakelen. Ook nieuw ingebrachte medische adviezen gaven geen aanleiding het standpunt van het Uwv te wijzigen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 7 mei 2007 geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende arbeid.