ECLI:NL:CRVB:2010:BM6748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na beëindiging verblijfsrecht vreemdelingen
Appellanten, vreemdelingen uit de voormalige Joegoslavische republiek, vroegen in 1999 asiel aan in Nederland. Na diverse vreemdelingenrechtelijke procedures werd hun verblijfsrecht ingetrokken vanwege het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en gegronde redenen voor ongewenstverklaring.
Zij ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar het Dagelijks Bestuur trok deze bijstand in toen hun verblijfsrecht onherroepelijk was beëindigd. Appellanten stelden dat zij geen inkomsten hadden en dat de intrekking onterecht was, mede omdat de rechtbank niet op hun beroep op internationale verdragen was ingegaan.
De Raad oordeelde dat appellanten de wettelijke inlichtingenverplichting hadden geschonden door het Dagelijks Bestuur niet te informeren over de procedures. Het recht op bijstand eindigde onherroepelijk op het moment van beëindiging van het verblijfsrecht. Voor de aanspraken op levensonderhoud na die datum was het COA bevoegd, niet het Dagelijks Bestuur. De klachten over het niet in acht nemen van internationale verdragen werden verworpen omdat deze niet als bindend werden beschouwd. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand aan appellanten na onherroepelijke beëindiging van hun verblijfsrecht wordt bevestigd.